Afgerond onderzoek 2008
In 2008 zijn onderzoeken afgerond waar de Hersenstichting aan heeft bijgedragen. Hier kunt u samenvattingen vinden van deze onderzoeken met hun resultaten.
Hersentumoren bestrijden met een virus
Hersentumoren hebben meestal een zeer slechte prognose voor patiënten, omdat de huidige behandelmethoden vaak niet in staat zijn om de tumor geheel te bestrijden. Virussen die tumorcellen kunnen infecteren maar gezonde hersencellen onaangetast laten, kunnen mogelijk een oplossing bieden, als alternatief of als ondersteuning bij bestaande behandelmethoden. In dit onderzoek is gekeken of dit idee bij muizen toegepast kan worden. Daarbij is een genetisch aangepast muizencornonavirus (MHV) gebruikt. De resultaten laten zien dat dit virus zeer effectief is in het bestrijden van de hersentumor bij de muizen. Behalve tumorcellen bleek het virus echter ook gezonde hersencellen te infecteren. Om verdere modelstudies naar de werkzaamheid en veiligheid van deze behandeling in muizen mogelijk te maken, zal het virus daarom verder aangepast moeten worden.
Het aantonen van de werkzaamheid en veiligheid van een geredigeerd coronavirus in de bestrijding van agressieve hersentumoren
Mw. dr. M. Verheije, Universiteit Utrecht, Utrecht
Rol van genen bij het ontstaan van hersentumoren
Onderzoek naar het ontstaan van hersentumoren (glioblastoma multiforme, ofwel glioma) kan uitgevoerd worden met gekweekte hersentumorcellen. In dit onderzoek hebben de onderzoekers laten zien dat in op een bepaalde manier gekweekte menselijke tumorcellen, het PDGFRA-gen op dezelfde manier tot uiting komt als in gliomastamcellen in het lichaam. Dit heeft nieuwe informatie opgeleverd over de rol van het PDGFRA-gen bij het ontstaan van glioma's. De uitdaging is nu om te ontrafelen welke effecten PDGFRA-expressie in gliomastamcellen heeft, omdat dat mogelijkheden opent om PDGFRA-expressie te onderdrukken en daarmee het risico op deze vorm van hersentumoren te verkleinen.
Regulatie van PDGFRA-expressie in gekweekte tumorstamcellen van humane hersentumoren (glioblastoma multiforme)
Prof. dr. E. van Zoelen, Radboud Universiteit, Nijmegen
Nieuwe onderzoekmethode voor MS-onderzoek
Multiple sclerose (MS) is de meest voorkomende chronische ontstekingsziekte van de hersenen. Bij MS werkt het afweersysteem verkeerd. Er zijn aanwijzingen uit eerdere studies dat bepaalde hersencellen (astrocyten) daarbij een sleutelrol spelen. Met de nieuwe zogenaamde 'pepchip'techniek is het mogelijk om meer inzicht te krijgen in de biochemische processen die zich afspelen in cellen. Het was echter nog niet mogelijk om deze techniek ook toe te passen bij hersencellen. In dit onderzoek is deze technische hobbel genomen en is een protocol ontwikkeld om de pepchiptechnologie toe te passen in hersenonderzoek. Daarnaast is dit protocol toegepast om signaaloverdracht door astrocyten in MS te bestuderen. Dit heeft aangrijpingspunten opgeleverd voor de ontwikkeling van een nieuwe therapie waarmee MS mogelijk afgeremd kan worden.
Analyse van het kinoom van astrocyten bij multiple sclerose met in het bijzonder de rol van beta2adrenerge receptorstimulatie op de expressie van MHC klasse II
Prof. dr. F. Kroese, prof. dr. M. Peppelenbosch, prof. dr. J. Dekeyser, Universitair Medisch Centrum, Groningen
Ontstekingstoffen verlagen positieve effect van oestrogenen bij MS
Oestrogenen hebben een positief effect op het beloop van MS. Het is niet duidelijk hoe dit werkt, maar waarschijnlijk komt het doordat oestrogenen zenuwcellen repareren. Oestrogenen hebben effect nadat ze zich binden aan een zogenaamde 'receptor' voor oestrogenen op een cel. De onderzoekers veronderstelden dat ontstekingsstoffen de oestrogeenreceptor op astrocyten (bepaalde hersencellen) kunnen activeren, waardoor oestrogenen hun gunstige effect kunnen uitoefenen. Als dit inderdaad zo zou werken, dan zou oestrogeentherapie gecombineerd kunnen worden met een stof die ervoor zorgt dat de oestrogenen beter hun werk kunnen doen. De resultaten van dit onderzoek lieten echter zien dat ontstekingsstoffen een omgekeerd effect hebben dan werd verwacht: ze verminderen de gevoeligheid van astrocyten voor oestrogenen en zijn dus niet geschikt als therapie. De onderzoekers hebben geen stof kunnen ontdekken die de gevoeligheid voor oestrogenen verhoogde.
Karakterisering van oestrogeen receptor alpha (ER-a) in multiple sclerosis (MS) laesies en mogelijke implicaties voor neuroprotectie
Mw. dr. I. Huitinga, Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen, Amsterdam
Afwijkende genen als mogelijk oorzaak van Parkinson
De ziekte van Parkinson kan nog steeds niet vertraagd of gestopt worden door middel van medicijnen, doordat er onvoldoende inzicht is in de oorzaken en mechanismen van neuronaal verval bij deze ziekte. De recente ontdekking van genen die, als ze gemuteerd zijn, erfelijke vormen van Parkinson veroorzaken heeft geleid tot grote stappen voorwaarts in ons begrip van deze mechanismen. In dit onderzoek is de zoektocht naar afwijkende genen die erfelijke vormen van Parkinson veroorzaken voortgezet. Er zijn enkele nieuwe gebieden in het erfelijk materiaal ontdekt, waar nieuwe genen die Parkinson kunnen veroorzaken zouden kunnen liggen. In vervolgonderzoek zullen deze gebieden verder onderzocht worden, met als uiteindelijk doel om een of meer nieuwe genen te ontdekken die Parkinson kunnen veroorzaken.
Identificatie van nieuwe genen voor de ziekte van Parkinson - een integratieve benadering waarbij genome-wide linkage screen wordt gecombineerd met genetische expressie profilering
Dr. V. Bonifati, Erasmus MS, Rotterdam
Follow-up bij patiënten met een aneurysma
Ongeveer 1200 mensen per jaar krijgen een hersenbloeding door een gesprongen uitstulping van een bloedvat in het hoofd (aneurysma). De meeste patiënten met een aneurysma, die voor behandeling in aanmerking komen, worden behandeld door afsluiting van het aneurysma met platina draadjes (coils). Het was echter onvoldoende bekend of succesvol behandelde aneurysma's op lange termijn ook afgesloten blijven. In dit onderzoek is bij 104 patiënten, die vijf jaar of langer geleden behandeld waren met een coil, door middel van MRI onderzocht hoe groot de kans is dat het gecoilde aneurysma zich opnieuw geopend had. Dit bleek slechts bij een zeer klein percentage (3,6 procent) het geval te zijn. De onderzoekers concluderen dat de meeste patiënten die op het controle-onderzoek zes maanden na behandeling een (bijna) volledige afsluiting van het aneurysma hadden, niet langdurig opgevolgd hoeven worden. In een vervolgonderzoek zullen veel meer patiënten onderzocht worden, om meer zicht te krijgen op de risicofactoren voor heropening op zeer lange termijn. Daarmee kunnen dan patiëntengroepen vastgesteld worden die wel langdurig opgevolgd moeten worden, omdat ze een vergrote kans hebben op heropening van het aneurysma.
Zeer lange termijn follow up van gecoilde intracraniële aneurysmata
Dr. C. Majoie, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
Medicijnen tegen cognitieve problemen bij neurofibromatose
In dit onderzoek werd nagegaan of de cognitieve problemen die voorkomen bij Neurofibromatose Type 1 (NF1) verminderd konden worden door het middel simvastatine. Dit werd gedaan in een zogenaamd gerandomiseerd dubbelblind onderzoek met 60 kinderen met NF1. Het meten van het effect van simvastatine werd bemoeilijkt doordat er een sterk placebo-effect te zien was in de controlegroep. De kinderen die het middel kregen lieten een beter resultaat zien op enkele testen, maar door het meetprobleem zal verder onderzocht moeten worden of deze resultaten echt iets betekenen, of toeval zijn. Het onderzoek leverde belangrijke informatie op over de aard van de leerproblemen van kinderen met NF1.
Effect van simvastatine op de cognitieve problemen bij kinderen met Neurofibromatose Type 1 (NF1)
Dr. Y. Elgersma, Erasmus MC, Rotterdam
Voorspellen van een slechte neurologische uitkomst na reanimatie
Tegenwoordig is bij patiënten die niet snel bijkomen na reanimatie het licht verlagen van de lichaamstemperatuur (hypothermie) de standaardbehandeling. Er was echter nog vrijwel niets bekend over voorspellers van een slechte neurologische uitkomst voor de patiënt die op deze manier behandeld wordt. Uit dit onderzoek blijkt dat als de hersenen van de patiënt niet reageren op het prikkelen van een bepaalde zenuw, dit een goede voorspeller lijkt voor een slechte neurologische uitkomst. Verbetering van het voorspellen van een slechte neurologische uitkomst voor de patiënt kan de onzekerheid bij de familie en bij het behandelend team verminderen. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot een grotere vervolgstudie, waarin meer patiënten in meer ziekenhuizen zullen deelnemen.
Predictie van slechte uitkomst met somatosensibele evoked responsen (SSEP) tijdens hypothermie bij patiënten die comateus zijn na reanimatie
Dr. A. Hijdra en dr. J. Horn, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
Herstel van zenuwcelvorming bij stress
Chronische stress is een risicofactor voor depressie. Stress heeft belangrijke effecten op de hippocampus, een hersenstructuur die betrokken is bij leren en geheugen en bij de regulatie van het stress-systeem. De hippocampus is verder uniek, omdat in dat gebied bij volwassenen nog steeds nieuwe zenuwcellen worden geboren (neurogenese). Deze neurogenese wordt onderdrukt door stress. De onderzoekers lieten in dit onderzoek zien dat bij proefdieren onder chronische stress het middel mifepristone de neurogenese in de hippocampus kan herstellen. Dit herstel trad al op nadat het middel vier dagen was toegediend. In de kliniek was eerder gevonden dat mifepristone al na vier dagen een antidepressieve werking heeft, maar het waarom van dit effect was nog onbekend. De combinatie van deze resultaten suggereert dat herstel van neurogenese in de hippocampus betrokken is bij de werking van antidepressiva.
Blokkering van de stress hormoon receptor als nieuw antidepressivum; effecten op adulte neurogenese
Dr. P. Lucassen, Universiteit van Amsterdam
Genetisch onderzoek naar angst en depressie
Het is bekend dat erfelijkheid een rol speelt bij het ontstaan van angst en depressie. In deze studie is onderzocht op welke plaatsen van het erfelijk materiaal (het genoom) genen liggen die van invloed zijn op angst en depressie. Daarnaast is onderzocht of variatie in genen die betrokken zijn bij het serotoninesysteem in de hersenen hierbij van belang zijn. Medicijnen zoals Prozac, die klachten van angst en depressie verminderen, verhogen de hoeveelheid serotonine in de hersenen. Daarom wordt vaak verondersteld dat het serotoninesysteem bij deze klachten is ontregeld. Door onderzoek bij families hebben de onderzoekers verschillende gebieden op het genoom geïdentificeerd waar genen liggen die het ontstaan van angst en depressie kunnen beïnvloeden. Verder onderzoek naar deze genen lijkt zeer de moeite waard. De onderzoekers hebben geen effect kunnen aantonen van genen die betrokken zijn bij het serotoninesysteem op het ontstaan van angst en depressie. Toekomstig onderzoek naar de oorzaken van angst en depressie kan zich daarom waarschijnlijk beter richten op andere mechanismen in de hersenen.
Familiestudie naar interactie tussen TPH2 gen en serotonerge genen in angst en depressie
Mw. prof. dr. D. Boomsma, Vrije Universiteit, Amsterdam
Geheugentraining voor kinderen met ADHD
In deze studie is onderzocht of kortdurende trainingen om de aandacht en het geheugen te verbeteren, een positief effect kunnen hebben op de prestatie van kinderen met ADHD. De kinderen kregen een geheugentraining, een aandachttraining of juist geen training (placebogroep: spelletjes doen). De resultaten laten zien dat kinderen met ADHD na de geheugentraining meer informatie in het geheugen vast konden houden. Dit ging samen met verbeterde hersenactiviteit die betrokken is bij het efficiënt ophalen van geheugeninformatie. Na de placebo training werd dit positieve effect niet gevonden. Het effect van de aandachttraining was niet helemaal duidelijk. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of het gunstige effect van de geheugentraining ook op de langere termijn blijft bestaan en of de training ook het geheugen kan verbeteren van peuters en kleuters.
De invloed van een executieve functie training op inhibitie processen in het brein van ADHD kinderen
Mw. dr. L. Jonkman, Universiteit Maastricht
Veranderingen in de hersenen bij verslaving
Herhaaldelijke blootstelling aan verslavende stoffen zorgt voor langdurige veranderingen in gedrag en in de hersenen, vooral in het midbrein dopamine systeem. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat toediening van cocaïne langdurige veranderingen in de afgifte van dopamine veroorzaakt in een specifiek gedeelte van dit systeem bij ratten. Een beter begrip van de processen in het brein bij verslaving zal op termijn hopelijk aanknopingspunten opleveren voor de behandeling van verslaving met medicijnen.
Gedragssensitizatie en veranderingen in dopaminerge transmissie in het striatum
Dr. G. Ramakers, UMC, Utrecht
Rol van genen bij het ontstaan van verstandelijke handicaps
Mentale retardatie, ofwel verstandelijke handicap, kan een erfelijke of een niet-erfelijke oorzaak hebben. Drie van de genen waarvan men weet dat ze betrokken zijn bij erfelijke mentale retardatie, de zogenaamde 'zinkvingergenen', liggen naast elkaar op het X-chromosoom en lijken erg op elkaar. Waarschijnlijk hebben deze genen een gemeenschappelijke rol in de ontwikkeling van de hersenen. In deze studie werd de rol van deze genen verder onderzocht. De resultaten wijzen erop dat zinkvingergenen betrokken zijn bij de vroege ontwikkeling van de hersenen en waarschijnlijk speciaal van de hersenschors.
Het expressiepatroon van humaan specifieke X-chromosomale zinkvingergenen: inzicht in het ontstaan van verstandelijke handicaps
Dr. A. de Brouwer en mw. dr. H. Yntema, UMC St. Radboud, Nijmegen
Secundaire schade in de hersenen na een hersentrauma
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat zuurstoftekort in de hersenen na een hersentrauma extra schade aan de hersencellen veroorzaakt, los van de schade door het hersentrauma zelf. In het onderzoek werd een middel uitgeprobeerd met als doel de schade aan de hersencellen na een trauma te beperken. Het middel bleek te beschermen tegen schade door het trauma zelf, maar was niet afdoende wanneer ook zuurstoftekort optrad. De onderzoekers concluderen dat er nieuwe manieren moeten worden ontwikkeld om zuurstoftekort na hersentrauma te behandelen.
Secundaire mechanismen die bijdragen aan hersenletsel na traumatisch hersenletsel
Dr. J. Weber, Erasmus MC, Rotterdam
Training voor beroertepatiënten
In dit onderzoek werd een nieuw soort training ontwikkeld en uitgetest om mentale traagheid na CVA te verminderen. Patiënten leerden om te compenseren voor de gevolgen van mentale traagheid en om zichzelf genoeg tijd te geven voor datgene waarmee ze bezig zijn. Deze training bleek effectief en is omgeschreven tot een protocol. Dit protocol werd vervolgens overgedragen aan de beroepsgroepen.
Effectiviteit van Time Pressure Management (TPM) bij CVA patiënten met mentale traagheid
Prof. dr. L. Fasotti, Ambulant Centrum Hersenletsel, Nijmegen
Ritmisch trainen voor beroertepatiënten
In dit onderzoek werd het gebruik van auditieve ritmen (bijvoorbeeld klappen of een metronoom) bij looptraining na CVA onderzocht. De resultaten laten zien dat beter gebruik gemaakt kan worden van tweezijdige auditieve ritmen (voor zowel het goede als het slechte been), als van een eenzijdig auditief ritme (voor het goede óf het slechte been). Daarnaast is een loopband ontwikkeld waarmee het mogelijk is problemen in het aanpassingsvermogen, bij verstoringen in het loopritme, aan te tonen en te verbeteren. Deze loopband is binnenkort beschikbaar voor breder gebruik in de revalidatiesector.
Effecten van auditieve ritmen op de stabiliteit van het hemiplegisch gangbeeld
Dr. G. Kwakkel, VU Medisch Centrum, Amsterdam
Relatie tussen lichte geheugenklachten en een klein hippocampus
Dit onderzoek wijst uit dat veelvoorkomende afwijkingen die er op een gewone MRI-scan hetzelfde uitzien, er met een nieuw soort MRI-scan (een DTI-scan) totaal verschillend uitzien. De resultaten laten voor het eerst zien dat er een relatie bestaat tussen lichte geheugenklachten en een gekrompen hippocampus (een onderdeel van de hersenen dat een belangrijke rol speelt bij het geheugen). Mogelijk zijn deze klachten over het geheugen vroege voorspellers van de ziekte van Alzheimer.
Diffusion tensor magnetic resonance imaging in patiënten met subcorticale ischemische dementie, depressie en parkinsonisme (Fellowship)
Dr. F.E. de Leeuw, Radboud Universiteit Medisch Centrum, Nijmegen
Nieuw zebravismodel voor de ziekte van Alzheimer
Mutaties in het preseniline 1 (PSEN1) gen zijn de onderliggende oorzaak van de familiaire vorm van de ziekte van Alzheimer. Om de effecten van mutaties in het PSEN1 gen met betrekking tot ziekteprocessen bij Alzheimerdementie te kunnen onderzoeken, zijn diermodellen nodig waarin de mutaties op dezelfde manier tot uiting komen als in mensen. In dit onderzoek is een nieuwe zebravislijn opgezet, die gebruikt kan worden om de effecten van het PSEN1 gen te bestuderen.
Zebravis als model voor familiaire ziekte van Alzheimer veroorzaakt door mutaties in presenilines
Mw. dr. D. Jongejan-Zivkovic, Hubrecht Instituut KNAW, Utrecht


