Home
Actueel
Blogs
Fluistertoon

Fluistertoon

Maandag 29 februari 2016. Geplaatst onder: Ziekte van Lyme door Esmee Kamphuis

Het eerste doktersbezoek dat ik me kan herinneren, is van toen ik drie à vier jaar oud was. Niet voor de ziekte van Lyme, want daar was toen nog geen sprake van. Nee, mijn ouders maakten zich zorgen over mijn gehoor. Dikwijls werd ik geroepen of werd er tegen me gesproken zonder dat ik gehoor gaf. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn vader en moeder, voordat ze met me naar de dokter gingen, thuis ook al een ‘testje' deden.

 

Op een middag gaven ze me de opdracht aan een kant van de woonkamer te gaan staan. ‘Papa en mama willen dat je daar even blijft staan,' zei mijn vader. ‘Wij gaan hier staan.' Ondertussen liep hij naar de andere kant van de woonkamer, waar mijn moeder stond. Ik begreep er helemaal niets van en wilde verder gaan met spelen, maar ik deed met enige tegenzin toch wat mijn ouders van me vroegen.
‘Nu gaan we wat woorden zeggen en dan moet jij ons nazeggen,' vervolgde mijn vader, nu vanaf de andere kant van de woonkamer. Ik knikte. ‘Appel!,' zei mijn moeder, luid en duidelijk. ‘Appel?,' herhaalde ik. Er volgden nog wat woorden, ik herhaalde ze gehoorzaam. Het viel me op dat mijn ouders steeds zachter gingen praten. ‘Boom,' fluisterde mijn vader.
Opeens had ik door waar ze mee bezig waren. Ze denken dat ik niet goed naar ze luister, dacht ik. Of dat ik niet goed hoor, maar ik hoor alles prima! Ik was te jong om mijn ouders dat duidelijk in woorden uit te leggen. ‘Boom,' herhaalde ik aarzelend, nu ik doorhad wat dit alles te betekenen had.

Mijn ouders namen het zekere voor het onzekere en besloten mijn gehoor te laten testen bij een arts. Bij de arts kreeg ik een koptelefoon op en ik moest ‘ja' zeggen wanneer ik een piep hoorde. In verschillende sterktes kwamen er pieptonen voorbij. De conclusie was dat ik een uitstekend gehoor had. Iets dat ik zelf al lang wist! Mijn ouders waren natuurlijk opgelucht, maar ze bleven wel met een vraag zitten. Hoe kwam het dan dat hun dochter hen zo vaak niet hoorde?

 

Nu ze wisten dat mij fysiek niks mankeerde, viel al snel het kwartje: ‘Esmee is een dromer.' Een zin die ik hierna nog vaak te horen heb gekregen. Een zin die ik jaren lang als iets negatiefs en afwijkends heb beschouwd. Iets om me voor te schamen. Wanneer me tijdens de les in de klas een vraag werd gesteld door de leerkracht, wist ik vaak geen antwoord te geven. Niet omdat ik het moeilijk vond, nee, ik was met mijn hoofd ergens anders. Ik zat te dromen. In groep drie van de basisschool ben ik zelfs bijna blijven zitten, omdat ik meestal als laatste van de klas klaar was met mijn werk.

 

Inmiddels ben ik zevenentwintig. Helaas mankeert mij fysiek nu van alles en mijn leven ligt in puin. Dat ik een dromer ben komt mij nu heel goed uit. Sterker nog, misschien is het wel mijn redding, mijn kracht. In plaats van dat het me in de weg staat, zorgt het er nu voor dat ik door blijf knokken. Op momenten dat ik alle moed en hoop dreig te verliezen en niet meer weet hoe ik verder moet, helpen mijn dromen me om door te gaan.

Ik droom elke dag van een gezond lichaam en alles wat daarbij komt kijken. Van sporten en rennen tot reizen en studeren. Ik droom er van ooit mijn potentieel te kunnen benutten. Ondertussen probeer ik de beste versie van mezelf te zijn. Indien nodig herinner ik mijzelf er op fluistertoon aan: ‘Ik ben een dromer.'

 

Esmee Kamphuis

Lees hier de vorige blog van Esmee

Esmee is ook blogger voor Gezondheid & Co. Lees hier haar verhaal. 


Meer artikelen in Ziekte van Lyme

Reageer op dit artikel