Home
Actueel
HersenMagazine
Ontwikkelingen in dertig jaar bieden hoop voor de toekomst

Ontwikkelingen in dertig jaar bieden hoop voor de toekomst

Het wetenschappelijk hersenonderzoek heeft zich de afgelopen dertig jaar sterk ontwikkeld. Mede dankzij de Hersenstichting. De kennis en inzichten die dat heeft opgeleverd kunnen leiden tot nieuwe behandelingen voor de patiënten van nu én van morgen. Er is bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaken van hersenziekten. En er zijn technieken gekomen om in de hersenen te kijken en zo te zoeken naar verschillen tussen zieke en gezonde hersenen. Hieronder gaan we dieper in op twee ontwikkelingen die voor belangrijke verbeteringen voor patiënten kunnen zorgen.

Prikkeling van hersenen

Prikkeling van de hersenen is een beloftevolle behandeltechniek. Diepe hersenstimulatie (DBS) wordt bijvoorbeeld al succesvol toegepast bij parkinson en bij angststoornissen. Onderzoek wijst uit dat DBS ook bij andere hersenaandoeningen, zoals depressie en autisme, goede resultaten lijkt te geven. DBS is een ingrijpende behandeling, omdat er elektroden diep in de hersenen geplaatst moeten worden. Er worden ook minder ingrijpende stimulatiebehandelingen onderzocht, zoals TMS (Transcraniële Magnetische Stimulatie) en tDCS (transcraniële Direct Current Stimulatie), die voor grotere groepen patiënten een uitkomst kunnen zijn. Het principe van deze methoden is dat hersencellen worden geprikkeld met een zwakke elektrische stroom. Door deze prikkeling kunnen klachten worden verminderd.

 

Bij tDCS krijgt de patiënt op de hoofdhuid elektroden waarmee een specifiek deel van de hersenen wordt gestimuleerd. Bij TMS krijgt de patiënt een magnetische spoel boven het hoofd, waarmee stimulatie van hersencellen gebeurt. tDCS is makkelijker toepasbaar dan TMS en is bovendien een minder dure techniek. tDCS werd al in de jaren zestig onderzocht. In 2000 is deze techniek herontdekt doordat bewijs werd gevonden voor een effect van tDCS op de hersenen. Toen is ook de interesse voor wetenschappelijk en klinisch onderzoek sterk toegenomen.


Onderzoek laat zien dat tDCS kan zorgen voor zo’n 25% afname van klachten bij depressie. Met zorgverzekeraars vinden al gesprekken plaats over vergoeding van deze therapie. Misschien kan stimulatietechniek in de toekomst ook worden toegepast bij andere hersenaandoeningen. Bijvoorbeeld ataxie, waarbij iemand moeite heeft om bewegingen te coördineren. Toepassing van tDCS bij ataxie wordt onderzocht in de onderzoeksgroep van dr. Maas en dr. Van de Warrenburg van het Radboudumc in Nijmegen, met financiële steun van het Brugling Fonds, een fonds op naam binnen de Hersenstichting. Bovendien wordt tDCS in een revalidatiekliniek getest bij mensen met traumatisch hersenletsel of na een beroerte. Een derde mogelijke toepassing is bij mensen bij wie de hersenen na een ongeluk trager werken. Misschien kan met stimulatiebehandeling de snelheid van denken of waarnemen worden verbeterd.

Heuse DNA-revolutie

Een ander voorbeeld van een belangrijke ontwikkeling die voor grote verbeteringen voor patiënten kan gaan zorgen is het wetenschappelijk onderzoek aan onze erfelijke code DNA. Bij veel hersenziekten blijkt erfelijkheid een rol te spelen. Veel patiënten hebben foutjes in het DNA die misschien bijdragen aan de hersenziekte. In de afgelopen decennia heeft het wetenschappelijk DNA-onderzoek een grote vlucht genomen. Zo is in 1991 het gen (het stukje DNA) gevonden voor het zogeheten fragiele-X-syndroom. Jongens met een verandering in dit gen hebben een verstandelijke beperking. De ontdekking gebeurde in het academisch ziekenhuis (tegenwoordig Erasmus MC) in Rotterdam. In de jaren tachtig werden steeds meer DNA-technieken gebruikt in de wetenschap en de diagnostiek. Er was sprake van een heuse DNA-revolutie, vertelt prof. dr. Rob Willemsen van het Erasmus MC. De volgorde van de vier bouwstenen van het DNA kon uiteindelijk worden ontrafeld. ‘Voor een klein stukje DNA duurde dat soms wel twee jaar. Tegenwoordig kunnen we het complete DNA van iemand in een week in kaart brengen. De apparatuur is veel kleiner, sneller en goedkoper geworden en de computer doet nu het meeste werk. In de toekomst zal het nog sneller kunnen. De technieken worden steeds beter en betrouwbaarder.’

Interpreteren doet de expert

Al kan met de huidige technieken het hele DNA snel worden onderzocht op fouten, het blijft altijd de vraag of die fouten ook echt de oorzaak zijn van een ziekte of afwijking. De interpretatie van gegevens moet altijd gebeuren door een expert. Er bestaan inmiddels uitgebreide computerprogramma’s die daarbij kunnen helpen. Deze programma’s slaan alle informatie op en vergelijken deze met eerder gevonden gegevens. Ook deze ontwikkeling zal zich doorzetten, onder andere met ‘zelflerende’ systemen van technologiebedrijven als Google en IBM. De komende jaren zal er meer inzicht komen in de erfelijke achtergronden van veel hersenziekten. Dat geeft mogelijkheden om betrouwbare diagnostiek aan te bieden en om met medicijnen op de ziekten in te grijpen. Toch is er vaak een lange weg te gaan, stelt Willemsen. ‘Zelfs voor het fragiele-X-syndroom is er na meer dan dertig jaar onderzoek nog geen medicijn.’

Medicijn voor SCA

Ook dr. Willeke van Roon-Mom van het Leids Universitair Medisch Centrum doet DNA-onderzoek. Zij bestudeert verschillende erfelijke vormen van de ziekte SCA (spinocerebellaire ataxie). Door een fout in het DNA worden eiwitten aangemaakt die hersencellen beschadigen. Daardoor kunnen de hersenen hun taken niet meer goed uitvoeren. Patiënten met deze ziekte hebben minder controle over hun handen, raken uit evenwicht bij het lopen en krijgen vaak moeite met slikken en praten.

 

Van Roon-Mom en haar collegaonderzoekers proberen de erfelijke fouten te repareren. Dat doen zij in het ‘boodschapper-molecuul’ RNA, dat van het DNA is afgeleid. Als dat lukt, worden weer goede eiwitten aangemaakt. ‘Deze eiwitten kunnen in de hersenen hun normale werk doen, maar hebben geen schadelijke effecten meer.’

 

Van Roon-Mom werkt veel samen met onderzoekers van de spierziekte Duchenne. Zij gebruikten de techniek al, en Van Roon-Mom is deze enkele jaren geleden gaan toepassen voor hersenziekten. Er is momenteel veel belangstelling voor deze aanpak. Want er is nu misschien een medicijn dat ingrijpt op de RNA-fout bij patiënten. Dat kan de gevolgen van die fout tegengaan. Zo komen mogelijke therapieën voor SCA in zicht. Het medicijn werd al tientallen jaren onderzocht en ook gebruikt bij enkele andere ziekten. Het wordt nu voor het eerst toegepast bij de ziekte SCA. ‘Wetenschappelijke studies laten het succes zien van deze middelen bij hersenaandoeningen’, zegt Van Roon-Mom. ‘De meeste medicijnen bereiken maar moeilijk alle hersencellen en werken dan dus niet goed. Maar deze moleculen kunnen dat wél. Ze worden spontaan door alle hersencellen opgenomen en blijven daar lange tijd aanwezig.’

 

De techniek is veelbelovend en zal zich zéker verder ontwikkelen. Van een aantal typen SCA is precies bekend waar het erfelijke foutje zich bevindt in het DNA. ‘We weten dan wat we moeten aanpakken’, besluit Van Roon-Mom. ‘Er is nog wel veel onderzoek nodig. In Nederland zijn verschillende families met SCA type 1 of type 3 bekend. Een aantal van deze families heeft via verschillende initiatieven geld ingezameld voor onderzoek. Er is al drie keer een mooie gift gedaan door onder andere het Brugling Fonds (voor SCA3) en het SCA1 Family Fund waarmee ik de afgelopen jaren in samenwerking met de Hersenstichting onderzoek heb kunnen doen. Patiënten spelen dus altijd een belangrijke rol!’

Aanmelden nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte van ons laatste nieuws.

Aanmelden