Tijdens de ontwikkeling van een kind ontstaan de hersenen uit stamcellen. Deze stamcellen delen en groeien uit tot de verschillende soorten hersencellen, zoals zenuwcellen en gliacellen. In het volwassen brein zit nog steeds een klein aantal stamcellen in een paar kleine hersengebiedjes, rondom de hersenholtes en in de hippocampus. Naarmate het brein ouder wordt neemt het aantal stamcellen in deze gebieden af.

Onderzoek

Stamcellen zitten niet alleen in hersenen, maar ook in bijvoorbeeld beenmerg. Bovendien zijn er nieuwe technieken, die huidcellen terug in de tijd kunnen zetten naar het stadium van vroege stamcel.

Er wordt veel onderzoek gedaan om uit te zoeken of stamcellen kunnen worden gebruikt om hersencellen, die door een ziekte niet meer goed werken of afgestorven zijn, te vervangen. Er moet worden uitgezocht welke soort stamcellen het meest geschikt is voor een therapie.
Hier worden twee voorbeelden genoemd:

  • Huidcellen

    Stamcellen uit de huid zijn zeer interessant, omdat de cellen van de patiënt zelf gebruikt kunnen worden. Hierdoor is er weinig risico op afstoting van de cellen. Bovendien kan in het geval van een genetische hersenaandoening, het kapotte/gemuteerde gen in deze cellen met behulp van DNA-technieken gerepareerd worden. Dit zijn technisch hoogstaande technieken, en de ontwikkelingen gaan snel. Een uitdaging is om uit het kleine stukje huid voldoende stamcellen te laten groeien, zodat ze gebruikt kunnen worden voor therapie.

  • Hersencellen

    Iedereen heeft nog stamcellen in zijn eigen brein. Deze cellen worden geactiveerd in het geval van een herseninfarct of hersenbloeding. Er ontstaan nieuwe jonge hersencellen rondom de hersenholtes. Helaas zijn ze niet uit zichzelf in staat om het brein te repareren. Onderzoek moet uitwijzen of deze lichaamseigen stamcellen kunnen worden aangespoord om bij te dragen aan hersenherstel. Deze aanpak zal niet werken in het geval van een erfelijke hersenziekte.

Stamcellen uit de huid zijn zeer interessant, omdat de cellen van de patiënt zelf gebruikt kunnen worden. Hierdoor is er weinig risico op afstoting van de cellen. Bovendien kan in het geval van een genetische hersenaandoening, het kapotte/gemuteerde gen in deze cellen met behulp van DNA-technieken gerepareerd worden. Dit zijn technisch hoogstaande technieken, en de ontwikkelingen gaan snel. Een uitdaging is om uit het kleine stukje huid voldoende stamcellen te laten groeien, zodat ze gebruikt kunnen worden voor therapie.

Iedereen heeft nog stamcellen in zijn eigen brein. Deze cellen worden geactiveerd in het geval van een herseninfarct of hersenbloeding. Er ontstaan nieuwe jonge hersencellen rondom de hersenholtes. Helaas zijn ze niet uit zichzelf in staat om het brein te repareren. Onderzoek moet uitwijzen of deze lichaamseigen stamcellen kunnen worden aangespoord om bij te dragen aan hersenherstel. Deze aanpak zal niet werken in het geval van een erfelijke hersenziekte.

Bij stamceltherapie in de hersenen is het belangrijk dat er nieuwe gezonde hersencellen ontstaan of worden getransplanteerd in de hersenen. Daarnaast is het noodzakelijk dat deze cellen uitgroeien tot het juiste hersenceltype met de juiste contacten. Dit laatste zorgt er namelijk voor dat uitgevallen hersenfuncties hersteld zouden kunnen worden. Op dit moment wordt hier volop onderzoek naar gedaan.

Het onderzoek naar stamcellen en stamceltherapie voor hersenziekten is nog in de laboratoriumfase. De techniek wordt nog niet toegepast op patiënten. Stamceltherapie zal zeker niet voor alle hersenziekten een oplossing zijn. Bij de ziekte van Alzheimer is bijvoorbeeld het hele brein aangedaan. Een stamceltransplantatie zal niet in staat zijn om alle afgestorven hersencellen te vervangen.

Op dit moment is er nog geen enkele stamceltherapie die hersenziekten of bepaalde hersenfuncties kan genezen. Hersencellen vervangen is zeer lastig en moet op een gecontroleerde manier gebeuren. Het risico van ontregelende stamcellen, die blijven delen of die niet uitgroeien tot het juiste hersenceltype, moet worden voorkomen. Vandaar dat er eerst meer onderzoek gedaan moet worden voordat de stap naar de kliniek gemaakt kan worden.