We, Polletje (mijn kleindochter) en ik, moeten verplicht van opa naar die vreselijke supermarkt om o.a. spaghetti te halen. Polletje raakt ook zwaar overprikkeld van al dat rood en de sfeer, ik zie overigens maar weinig vertrouwde gezichten terug in de winkel. zoveel nieuw personeel.

Mondkapje op en iemand naast mij roept dat hij dat vaag vindt. Ik vraag netjes “wat vind je dan vaag?”, en hij houd geïrriteerd zijn telefoon omhoog. Ook zoiets, kun je die telefoon niet gewoon aan je oor houden, vraag ik mij in stilte af. Ik hoef toch niet te horen of die ander, aan de telefoon het ook vaag vindt. “Doorlopen oma, naar de spaghetti, ik wil de winkel weer uit.”

Bij alle soorten spaghetti die er liggen brult er iemand naast mij: “maar wil je dan de dunne of de dikke spaghetti?” Wil ik net uitleggen dat de dikke spaghetti… en er blèrt alweer iemand uit de telefoon in zijn hand.

De grote rode dozen, die als decoratie nog in de winkel hangen, de rollators, kinderwagens, het wordt me te veel. De headquarters (mijn brein) slaan bijna op tilt. Ik kijk naar de telefoon en de man zegt nu tegen mij, “mooie telefoon he?” Jaja, aarzel ik en dan praat ik weer zonder de headquarters te raadplegen en vraag liefjes: “Is dat jouw telefoon?” De man glundert en antwoorde, “jazeker!” “Nou”, begin ik liefjes en dan wat pissiger, “dan wil ik hem ook niet horen”. Ik geef polletje een hand en we verlaten de winkel. Ik voel de ogen van de man in mijn rug. Wij naar huis zonder de spaghetti.

Zonder te mopperen zitten we later aan tafel en blijkt de spaghettisaus heerlijk te smaken met een geroosterde boterham.


Lees hier de vorige blog van Pip