Elektroconvulsietherapie (ECT)

Bij ECT, ook vaak elektroshocktherapie genoemd, wordt met kleine stroomstoten een soort epileptische aanval in de hersenen opgewekt. ECT wordt vooral toegepast bij mensen met een ernstige depressie, die onvoldoende verbeterd zijn tijdens behandeling met antidepressiva. Ook wordt het toegepast als eerste behandeling bij patiënten met een zeer ernstige depressie met waanideeën of met een minimale voedsel- en vochtinname. Het is een erkende behandeling die is omschreven in de landelijke richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De behandeling vindt alleen plaats in gespecialiseerde ECT-centra.

Hoe wordt ECT toegepast?

Als behandeling met antidepressiva niet voldoende effect heeft, kan een patiënt met ernstige depressie in aanmerking komen voor elektroconvulsietherapie. ECT wordt meestal tweemaal per week uitgevoerd, meerdere weken achter elkaar. Voorafgaand aan de behandeling wordt een infuus aangebracht, worden ECG-elektroden geplaatst (om een hartfilmpje te kunnen maken) en op het hoofd worden EEG-plakkers en ECT-elektroden geplaatst. Vervolgens wordt eerst premedicatie (een middel tegen misselijkheid en tegen hoge bloeddruk) gegeven, daarna het narcosemiddel. De patiënt is dan onder een lichte narcose, waarna een spierverslappend middel wordt gegeven. Wanneer de spierverslapper is ingewerkt, wordt een epileptische aanval opgewekt middels een korte stroomstoot van 0,8 of 0,9 ampère . De patiënt merkt hier niets van door de narcose. Ook zijn de spiertrekkingen, die normaliter bij een epileptische aanval optreden afwezig, doordat er een spierverslapper is gegeven. De aanval duurt minimaal 20 en maximaal 180 seconden. Tijdens de procedure worden bloeddruk, het zuurstofgehalte van het bloed, het hartritme (middels ECG) en hersenactiviteit (middels EEG) geregistreerd. Na de ECT komt de patiënt bij op de verkoeverkamer.

 

ECT is een multidisciplinaire behandeling. Het ECT-team bestaat uit een psychiater, een anesthesioloog en diverse verpleegkundigen (psychiatrisch, anesthesie, ECT en verkoever).

 

Hoe elektroconvulsietherapie precies in de hersenen werkt is niet bekend. Wetenschappelijke studies wijzen wel uit dat vooral patiënten met een ernstige depressie met lichamelijke verschijnselen (‘melancholische kenmerken') en met waanideeën (‘psychotische kenmerken') baat hebben bij deze therapie. Bij ongeveer 50 tot 60% van de patiënten verdwijnen de klachten volledig. Patiënten met melancholische depressieklachten reageren het best op deze therapie.

 

Kort na de behandeling kunnen een aantal bijwerkingen optreden zoals hoofdpijn, spierpijn, misselijkheid en verwardheid. Na meerdere sessies kunnen ook geheugenstoornissen optreden; deze verdwijnen echter na enkele maanden weer. De geheugenstoornissen betreffen vooral recente gebeurtenissen, die nog niet goed zijn vastgelegd in het geheugen (retrograde amnesie). Daarnaast heeft een deel van de patiënten last met het opslaan van nieuwe informatie in het geheugen (anterograde amnesie). Deze geheugenstoornissen verbeteren geleidelijk in de eerste 4-8 weken na de ECT-kuur.

Alternatief voor ECT

Of er een alternatief voor deze behandeling bestaat, hangt af van de ernst van de depressie en de behandelvoorgeschiedenis van de patiënt. Wanneer niet alle gebruikelijke medicamenteuze behandelingen adequaat zijn uitgevoerd, kan medicamenteuze behandeling een alternatief zijn.

Wie komt ervoor in aanmerking?

ECT wordt toegepast bij mensen met een ernstige depressie waarbij andere behandelopties zoals medicijnen niet goed aanslaan of geen optie zijn. Ook kan het worden toegepast bij katatonie (apathische bewustzijnstoestand) en schizofrenie.
Patiënten die kortgeleden een hartinfarct hebben gehad of waarbij om andere redenen risico is op verhoging van intracraniële druk (= druk binnen in de schedel), komen meestal niet in aanmerking voor elektroconvulsietherapie.

Aanmelden nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte van ons laatste nieuws.

Aanmelden Stel uw vraag online