MS & infuus

Iedere maand ga ik – met een lach op mijn gezicht – naar het ziekenhuis voor mijn infuus met het MS medicijn. Ik, die daarvoor nota bene geen enkele medische ervaring had. Typisch is dat…

Rationeel kan ik het verklaren. Dit medicijn zorgt ervoor dat mijn MS al jaren stabiel is. En die kan ik daardoor goed handelen. Een geluk bij een ongeluk, zeg ik altijd.

Emotioneel kan ik die relaxte houding minder goed duiden. Maar dat komt misschien ooit nog eens…

Iedere maand ga ik dus naar het ziekenhuis. Meestal op een paar minuten afstand van waar ik woon; een enkele keer in een stad zo’n 25 kilometer verderop. Dat laatste is zo’n moment dat ik me realiseer hoe blij ik ben met mijn auto…

Ik meld me in het ziekenhuis bij de receptie van de dagverpleging. De aardige receptioniste in mijn woonplaats weet waar ik voor kom en geeft me door in welke kamer ik moet zijn.

Grappig is dat ik al enkele keren een kamer met kinderbedjes kreeg toegewezen. Dan ging ik weer terug naar de receptie met de mededeling dat ik daar echt niet in pas. En erin klimmen lukt al helemaal niet.

Aangekomen in mijn (tijdelijke) kamer, nestel ik me op bed. Heb altijd een tijdschrift en muziek mee. En ga er lezen en luisteren. Zonder een boek of tijdschrift kan ik niet. En met muziek van pianist Joep Beving of met de melancholische stem van Antony voel ik me goed. Terwijl ik toch kom voor iets wat minder leuk is. En de reden daarvoor is natuurlijk nog minder leuk. Maar, ik weet allang niet beter….

Het is iets waar ik me, net als op twee keer per week fysio – en ja, dat is van een andere orde – ook op instel.

Waar ik goede herinneringen aan heb, is dat mijn vriend jaren terug (die ik toen net kende)… een keer mee naar het ziekenhuis ging. Vond ik erg lief. Hij zat op een stoel tegenover me, terwijl ik op bed aan het infuus lag.

Achteraf zei hij dat ik er toen zo relaxt bij lag. Stond hij van te kijken…

Ik doe dat, in retroperspectief, ook. Want voordat ik de diagnose MS twaalf jaar terug kreeg, was ik zelden met de medische sector in aanraking gekomen. Ik was de veertig al gepasseerd voordat ik voor het eerst met het lab te maken kreeg. Vrij laat. Maar ik onderging en onderga alles wel relaxt. Niet voor niets heb ik tegen mijn vriend wel eens gezegd dat de serveersters in het ziekenhuis zo aardig zijn. De verpleegsters dus. Die spraakverwarring zegt genoeg. Zij bezorgen me ook een drankje. Een glimlach. En ja, het infuus dus. Niet onbelangrijk!

En als ik weer naar huis ga, roep ik lachend: “Tot volgende keer.” Zoals ik ook doe als we tevreden een restaurant uitlopen. Dan denk ik, als het eten goed was en de sfeer gezellig, dat we daar weer met plezier terugkomen.

En voor de aandachtige lezer of voor de cynicus: nee, ik steek mijn kop niet in het zand. Ik veins geen ontspannen houding. Het is echt zo… Blijft ook voor mezelf merkwaardig. Echt typisch…