Wat is een angststoornis?
Er bestaan verschillende soorten angststoornissen.
-
Paniekstoornis
Bij een paniekstoornis heb je regelmatig last van paniekaanvallen: een korte, hevige angst die vaak plotseling optreedt. Hierbij horen mogelijk verschillende lichamelijke klachten waar je in één keer en tegelijk last van kan krijgen:
- hartkloppingen
- ademnood
- zweten
- een beklemmend gevoel op de borst
- trillen of beven
- duizeligheid
- misselijkheid
- opvliegers of koude rillingen.
Soms zijn al deze klachten zo heftig dat je bang bent om de controle over jezelf te verliezen, gek te worden, flauw te vallen of zelfs dood te gaan. Hierdoor ontstaat angst voor de angst zelf.
-
Agorafobie
Bij agorafobie ben je bang om intense angst of een paniekaanval te krijgen op een moment dat niemand je kan helpen. Of op een plek waar je je schaamt voor je gedrag tijdens een paniekaanval of angstaanval. Sommige mensen zijn bang op plekken waar ze niet makkelijk weg kunnen komen.
Je kunt bijvoorbeeld bang zijn in een bioscoop of in het openbaar vervoer. Misschien durf je je veilige en vertrouwde omgeving niet te verlaten. Je vermijdt dan allerlei plekken, zoals drukke winkels. Of je durft niet met de lift. Ongeveer de helft van de mensen met paniekaanvallen lijdt aan agorafobie.
-
Sociale angststoornis
Bij een sociale angststoornis ben je in het algemeen bang voor sociale situaties. Je durft bijvoorbeeld geen presentatie te houden of bij iemand op bezoek te gaan. Je kunt ook heel bang zijn om dingen te doen in het bijzijn van anderen. De angst om ‘af te gaan’ of in verlegenheid te worden gebracht is zo groot, dat je zulke momenten uit de weg probeert te gaan.
Bij een sociale angststoornis ben je bang voor een negatief oordeel van anderen. En bijna altijd onderschat je de ernst van je probleem.
Ook in de samenleving worden sociale angststoornissen onderschat. Weinig mensen met een sociale angststoornis vragen hulp voor hun angst. Terwijl er wel goede hulp voor ze is.
-
Piekerstoornis
Bij een piekerstoornis ben je vaak gespannen. Dit heet ook een gegeneraliseerde angststoornis. Je maakt je druk over gewone dingen. Je piekert bijvoorbeeld over je gezondheid of over je werk. Je bent bang dat er iets vreselijks zal gebeuren, ook al is hier geen enkele aanleiding voor.
Mensen met een piekerstoornis piekeren niet zo nu en dan. Ze zijn veel tijd kwijt aan zorgen maken. Ook ervaren ze weinig tot geen invloed over het piekeren.
Heb je een piekerstoornis, dan heb je ook vaak last van lichamelijke klachten die bij gespannenheid kunnen voorkomen, zoals slecht slapen of spierspanningsklachten. Daardoor kan bijvoorbeeld rugpijn of hoofdpijn ontstaan.
-
Specifieke fobie
Bij een specifieke fobie ben je bang voor bepaalde dingen, dieren of omstandigheden en vermijd je deze dingen of situaties. Het woord fobie komt van het Griekse woord ‘fobos’, dit betekent vlucht of angst.
Je kunt bang zijn voor specifieke dingen, zoals dieren, de tandarts, medische ingrepen, kleine ruimten, grote hoogten of vliegen in vliegtuigen.
Een fobie kan veel gevolgen hebben, zoals een slechter wordend gebit als je niet meer naar de tandarts durft te gaan. Of je durft bijvoorbeeld niet meer naar buiten, uit angst om een hond tegen te komen.
Bij een paniekstoornis heb je regelmatig last van paniekaanvallen: een korte, hevige angst die vaak plotseling optreedt. Hierbij horen mogelijk verschillende lichamelijke klachten waar je in één keer en tegelijk last van kan krijgen:
- hartkloppingen
- ademnood
- zweten
- een beklemmend gevoel op de borst
- trillen of beven
- duizeligheid
- misselijkheid
- opvliegers of koude rillingen.
Soms zijn al deze klachten zo heftig dat je bang bent om de controle over jezelf te verliezen, gek te worden, flauw te vallen of zelfs dood te gaan. Hierdoor ontstaat angst voor de angst zelf.
Bij agorafobie ben je bang om intense angst of een paniekaanval te krijgen op een moment dat niemand je kan helpen. Of op een plek waar je je schaamt voor je gedrag tijdens een paniekaanval of angstaanval. Sommige mensen zijn bang op plekken waar ze niet makkelijk weg kunnen komen.
Je kunt bijvoorbeeld bang zijn in een bioscoop of in het openbaar vervoer. Misschien durf je je veilige en vertrouwde omgeving niet te verlaten. Je vermijdt dan allerlei plekken, zoals drukke winkels. Of je durft niet met de lift. Ongeveer de helft van de mensen met paniekaanvallen lijdt aan agorafobie.
Bij een sociale angststoornis ben je in het algemeen bang voor sociale situaties. Je durft bijvoorbeeld geen presentatie te houden of bij iemand op bezoek te gaan. Je kunt ook heel bang zijn om dingen te doen in het bijzijn van anderen. De angst om ‘af te gaan’ of in verlegenheid te worden gebracht is zo groot, dat je zulke momenten uit de weg probeert te gaan.
Bij een sociale angststoornis ben je bang voor een negatief oordeel van anderen. En bijna altijd onderschat je de ernst van je probleem.
Ook in de samenleving worden sociale angststoornissen onderschat. Weinig mensen met een sociale angststoornis vragen hulp voor hun angst. Terwijl er wel goede hulp voor ze is.
Bij een piekerstoornis ben je vaak gespannen. Dit heet ook een gegeneraliseerde angststoornis. Je maakt je druk over gewone dingen. Je piekert bijvoorbeeld over je gezondheid of over je werk. Je bent bang dat er iets vreselijks zal gebeuren, ook al is hier geen enkele aanleiding voor.
Mensen met een piekerstoornis piekeren niet zo nu en dan. Ze zijn veel tijd kwijt aan zorgen maken. Ook ervaren ze weinig tot geen invloed over het piekeren.
Heb je een piekerstoornis, dan heb je ook vaak last van lichamelijke klachten die bij gespannenheid kunnen voorkomen, zoals slecht slapen of spierspanningsklachten. Daardoor kan bijvoorbeeld rugpijn of hoofdpijn ontstaan.
Bij een specifieke fobie ben je bang voor bepaalde dingen, dieren of omstandigheden en vermijd je deze dingen of situaties. Het woord fobie komt van het Griekse woord ‘fobos’, dit betekent vlucht of angst.
Je kunt bang zijn voor specifieke dingen, zoals dieren, de tandarts, medische ingrepen, kleine ruimten, grote hoogten of vliegen in vliegtuigen.
Een fobie kan veel gevolgen hebben, zoals een slechter wordend gebit als je niet meer naar de tandarts durft te gaan. Of je durft bijvoorbeeld niet meer naar buiten, uit angst om een hond tegen te komen.
Herkennen van een angststoornis
Iedereen voelt zich wel eens angstig. Bang zijn is niet meteen een stoornis. Wanneer angst je dagelijks leven regelmatig flink verstoort, dan is het een stoornis. Vaak weet je dan wel dat de angst overdreven en ongegrond is, maar toch wint de angst bijna altijd van dit besef.
Als je een angststoornis hebt, doe je er alles aan om te vermijden waar je bang voor bent. Dat kan bij elke angststoornis en bij elke persoon anders zijn. Iemand met een paniekstoornis die bang is voor hartkloppingen zal niet meer gaan sporten, niet meer met de trap willen of dicht bij huis willen blijven voor als er een aanval komt.
Iemand met een sociale angststoornis zal collega’s, vergaderingen, feestjes of de buren vermijden zodat er geen risico is om afgewezen te worden.
Iemand met een gegeneraliseerde angststoornis die bang is voor verkeersongelukken zal bellen of zijn geliefden wel veilig zijn aangekomen. Of zal zijn kinderen niet zelfstandig laten fietsen.
Als het niet goed lukt om te vermijden waar je bang voor bent, dan ontstaat een paniekaanval of extreme angst. Ook kun je last krijgen van lichamelijke klachten. En als je hetgene waar je bang voor bent wel vermijdt, dan wordt je wereld steeds kleiner.
Als een angst vaak terugkeert in jouw persoonlijk leven, je relaties of je werk, dan is er bij jou misschien sprake van een angststoornis. Neem dit serieus. De huisarts kan je verder helpen.
Kenmerken van een angststoornis
Los van de specifieke symptomen van specifieke angststoornissen hebben mensen vaak last van:
- hoofdpijn
- buikpijn
- slaapproblemen
- gebrek aan eetlust
- concentratieproblemen
- een bang voorgevoel
- prikkelbaarheid
- nervositeit
- spanning en onrust
- angst voor allerlei klachten
- hoofdpijn
- buikpijn
- slaapproblemen
- gebrek aan eetlust
- concentratieproblemen
- een bang voorgevoel
- prikkelbaarheid
- nervositeit
- spanning en onrust
- angst voor allerlei klachten
1.924.600
mensen tussen 18 en 75 jaar hadden een angststoornis volgens een bevolkingsonderzoek uitgevoerd tussen 2019 en 2022.
1,5 keer
komt een angststoornis vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.
Ongeveer 20%
van de mensen met een angststoornis is bekend bij de huisarts.
Beluister de podcastserie Donkergrijze cellen over angsten en depressie
Donkergrijze cellen is een 6-delige podcastserie van de Hersenstichting over angsten en depressie. Annemiek Lely gaat als trotse ambassadeur van de Hersenstichting in de afleveringen in gesprek met gasten die meer kunnen vertellen over angsten en depressies. Hoe dat bijvoorbeeld voelt, of hoe de processen in je brein precies werken.
Beluister iedere donderdag een nieuwe aflevering op ons podcastkanaal Hoofdzaken, via je favoriete podcast-app!
Beluister de podcasts via Spotify, Apple Podcasts of Google podcasts.
Diagnose van een angststoornis
Als je veel last hebt van angsten, is het verstandig naar je huisarts te gaan. Ook als je weet dat je angsten eigenlijk niet nodig zijn, maar je er toch veel last van hebt. Bespreek waar je bang voor bent. Dat kan best spannend zijn. Hoe duidelijker je aangeeft waar je bang voor bent, hoe beter de arts je kan helpen.
Een arts zal je specifieke vragen stellen over je gedrag. Ook kijkt deze naar je hele gezondheid om je klachten te kunnen begrijpen.
Daarna kan de huisarts je uitleg geven en kijken wat hij of zij voor je kan doen. Klachten ontstaan vaak geleidelijk. Als je er vroeg bij bent, kunnen je klachten met behulp van een praktijkondersteuner worden aangepakt. Met tijdige hulp voorkom je dat het erger wordt.
Is het zo dat angsten je leven blijven beheersen? Dan kan de huisarts je doorverwijzen naar een psycholoog of psychiater. Die kan een diagnose stellen. Ook kijkt de psycholoog of psychiater welke behandelingen het best passen en in welke volgorde. Vaak zijn er verschillende behandelingen die elkaar ondersteunen.
Oorzaken van een angststoornis
Angst is een normaal gevoel, dat we nodig hebben om te overleven. Niemand kan overleven zonder angst. Stel je maar eens voor dat je zonder angst door een drukke stad zou fietsen. Je zou binnen de kortste keren ergens tegenaan rijden omdat je niet oplet.
Bij een angststoornis geven je hersenen te snel aan dat een situatie gevaarlijk is, terwijl dit niet zo is.
Voor een angststoornis is niet één oorzaak aan te wijzen. Het is meestal een combinatie van aangeboren aanleg en je omgeving.
-
Erfelijkheid
Erfelijkheid speelt een rol. De ene persoon heeft meer aanleg om angstig te zijn dan de ander. Daarom komen angststoornissen in sommige families vaker voor. De invloed van aanleg is bij de meeste angststoornissen ongeveer hetzelfde, maar kan per soort iets verschillen. Ook lijden vrouwen vaker aan angststoornissen dan mannen.
-
Angstcircuit in de hersenen werkt niet goed
Verschillende gebieden in de hersenen werken samen om je te waarschuwen wanneer er gevaar is. Daardoor voel je angst. Deze samenwerking noemen we het angstcircuit. Dit angstcircuit bestaat uit verschillende hersengebieden, waaronder de amygdala, de hippocampus en de prefrontale cortex.
Bij mensen met een angststoornis werkt het angstcircuit niet goed. Sommige hersengebieden reageren dan te heftig. Je wordt dan heel bang voor iets wat eigenlijk niet echt gevaarlijk is.
Normaal gesproken verdwijnt angst weer zodra het gevaar voorbij is. De hersenen geven dan een seintje dat je kunt ontspannen. Bij een angststoornis komt dat seintje niet of te laat. Daardoor blijft het lichaam in een staat van angst.
Ook andere verbindingen in het lichaam kunnen in de war raken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het systeem tussen de hypothalamus, de hypofyse en de bijnierschors. Deze spelen een belangrijke rol bij stress.
Een voorbeeld van het ‘angstcircuit’: op het zebrapad
Je loopt op een zebrapad en ziet dat er een auto op je afkomt. Dat betekent: ‘Gevaar!’ De amygdala wordt actief.
De auto stopt en de prefrontale cortex houdt de angstreactie onder controle, dus die maakt de angst weer kleiner. De automobilist heeft voor je geremd en je hebt veilig kunnen oversteken. Geen reden meer voor de angst.
Als het angstcircuit in je hersenen niet goed werkt, kan je hierna nog steeds bang blijven. Ook al is het gevaar alweer voorbij.
-
Ingrijpende gebeurtenissen
Er zijn veel gebeurtenissen die stress kunnen geven. Denk aan een overlijden of geboorte, je baan verliezen of van baan veranderen verhuizen of je huis verbouwen. Tijdens zulke gebeurtenissen heb je meer kans op een angststoornis.
Ook langdurige stress kan een rol spelen bij het ontstaan van angststoornissen en andere psychische klachten. Bijvoorbeeld leven met weinig geld, weinig opleidingskansen, eenzaamheid of weinig steun van anderen.
In de jeugd kunnen zich situaties voordoen die de kans op een angststoornis in het latere leven vergroten. Denk bijvoorbeeld aan je vaak buitengesloten voelen, regelmatig gepest worden, verwaarlozing, mishandeling of seksueel misbruik. Het telkens weer meemaken hiervan doet iets met je. Het kan je gevoelig maken voor het ontwikkelen van een angststoornis en zo kunnen klachten ontstaan.
De invloed van opvoeding lijkt minder groot te zijn. Te beschermende, angstige of kritische opvoedstijlen lijken het ontstaan van een latere angststoornis minder te bepalen.
-
Karakter
Sommige karaktertrekken, bijvoorbeeld introvert zijn, kunnen het risico op een angststoornis verhogen. Als je introvert bent, let je namelijk erg op je eigen gevoelens en gedachten, ben je snel bezorgd en reageer je eerder met emoties als angst en somberheid. Een ander voorbeeld is de behoefte aan controle. Wanneer je graag alles onder controle houdt, kun je veel stress ervaren als dingen anders lopen dan verwacht. Je karakter ontstaat deels door je genen, maar ook door de ervaringen die je in je leven hebt meegemaakt en dingen die je jezelf hebt aangeleerd.
De samenwerking tussen al deze zaken maakt dat iemand een angststoornis kan krijgen.
Erfelijkheid speelt een rol. De ene persoon heeft meer aanleg om angstig te zijn dan de ander. Daarom komen angststoornissen in sommige families vaker voor. De invloed van aanleg is bij de meeste angststoornissen ongeveer hetzelfde, maar kan per soort iets verschillen. Ook lijden vrouwen vaker aan angststoornissen dan mannen.
Verschillende gebieden in de hersenen werken samen om je te waarschuwen wanneer er gevaar is. Daardoor voel je angst. Deze samenwerking noemen we het angstcircuit. Dit angstcircuit bestaat uit verschillende hersengebieden, waaronder de amygdala, de hippocampus en de prefrontale cortex.
Bij mensen met een angststoornis werkt het angstcircuit niet goed. Sommige hersengebieden reageren dan te heftig. Je wordt dan heel bang voor iets wat eigenlijk niet echt gevaarlijk is.
Normaal gesproken verdwijnt angst weer zodra het gevaar voorbij is. De hersenen geven dan een seintje dat je kunt ontspannen. Bij een angststoornis komt dat seintje niet of te laat. Daardoor blijft het lichaam in een staat van angst.
Ook andere verbindingen in het lichaam kunnen in de war raken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het systeem tussen de hypothalamus, de hypofyse en de bijnierschors. Deze spelen een belangrijke rol bij stress.
Een voorbeeld van het ‘angstcircuit’: op het zebrapad
Je loopt op een zebrapad en ziet dat er een auto op je afkomt. Dat betekent: ‘Gevaar!’ De amygdala wordt actief.
De auto stopt en de prefrontale cortex houdt de angstreactie onder controle, dus die maakt de angst weer kleiner. De automobilist heeft voor je geremd en je hebt veilig kunnen oversteken. Geen reden meer voor de angst.
Als het angstcircuit in je hersenen niet goed werkt, kan je hierna nog steeds bang blijven. Ook al is het gevaar alweer voorbij.
Er zijn veel gebeurtenissen die stress kunnen geven. Denk aan een overlijden of geboorte, je baan verliezen of van baan veranderen verhuizen of je huis verbouwen. Tijdens zulke gebeurtenissen heb je meer kans op een angststoornis.
Ook langdurige stress kan een rol spelen bij het ontstaan van angststoornissen en andere psychische klachten. Bijvoorbeeld leven met weinig geld, weinig opleidingskansen, eenzaamheid of weinig steun van anderen.
In de jeugd kunnen zich situaties voordoen die de kans op een angststoornis in het latere leven vergroten. Denk bijvoorbeeld aan je vaak buitengesloten voelen, regelmatig gepest worden, verwaarlozing, mishandeling of seksueel misbruik. Het telkens weer meemaken hiervan doet iets met je. Het kan je gevoelig maken voor het ontwikkelen van een angststoornis en zo kunnen klachten ontstaan.
De invloed van opvoeding lijkt minder groot te zijn. Te beschermende, angstige of kritische opvoedstijlen lijken het ontstaan van een latere angststoornis minder te bepalen.
Sommige karaktertrekken, bijvoorbeeld introvert zijn, kunnen het risico op een angststoornis verhogen. Als je introvert bent, let je namelijk erg op je eigen gevoelens en gedachten, ben je snel bezorgd en reageer je eerder met emoties als angst en somberheid. Een ander voorbeeld is de behoefte aan controle. Wanneer je graag alles onder controle houdt, kun je veel stress ervaren als dingen anders lopen dan verwacht. Je karakter ontstaat deels door je genen, maar ook door de ervaringen die je in je leven hebt meegemaakt en dingen die je jezelf hebt aangeleerd.
De samenwerking tussen al deze zaken maakt dat iemand een angststoornis kan krijgen.
Behandeling van een angststoornis
Angststoornissen kun je je goed voor laten behandelen.
Cognitieve gedragstherapie
Een behandeling start meestal met cognitieve gedragstherapie als basis. Je behandelaar geeft uitleg over wat een angststoornis precies is. Je bespreekt ook je gedrag, gedachten, fantasieën, herinneringen, opvattingen (‘cognities’) en emoties. Met bepaalde oefeningen kun je het negatieve denkpatroon doorbreken, waardoor ook het gedrag dat erbij hoort zal veranderen.
Een veelgebruikte behandeling is om onder begeleiding je angsten ‘op te zoeken’. Dit wordt ook wel exposuretherapie genoemd. Je wordt dan blootgesteld aan datgene wat jou angstig maakt. Je zult bang zijn, maar daarna merken dat de angst ook weer afneemt. De ramp waar je bang voor was, gebeurt niet. Je hersenen leren dan dat de situatie niet gevaarlijk is waardoor je een volgende keer in die situatie minder bang zult zijn.
Als je bijvoorbeeld bang bent voor honden, dan ga je met de behandelaar naar een hondenpark of samen met een hond wandelen. Zo leer je hoe je kunt omgaan met je angst. Daardoor hoef je honden niet langer te vermijden.
Het veranderen van (angst)reacties en je gedrag gaat niet vanzelf. Het effect van cognitieve gedragstherapie hangt dan ook erg af van je motivatie, en van hoeveel je oefent. De behandelaar geeft huiswerk mee, zodat je tussen de sessies door kunt oefenen.
De behandelaar houdt goed in de gaten hoe het met je klachten gaat en blijft contact houden.
Je kunt cognitieve gedragstherapie op verschillende manieren krijgen. Je kunt de therapie bijvoorbeeld alleen met een therapeut doen. Ook kun je soms groepstherapie doen. Je volgt de therapie dan samen met andere mensen met angstklachten en een of meerdere therapeuten.
De sessies kunnen bij de psycholoog zijn, of online met videobellen. Daarnaast hebben sommige instellingen virtual reality om te oefenen met enge gebeurtenissen. Bespreek de mogelijkheden met je behandelaar.
Medicatie
Als gedragstherapie onvoldoende werkt, kunnen medicijnen helpen tegen angst. De arts geeft je dan bepaalde antidepressiva. Dit zijn pillen die werken tegen depressie en angst. Bij sommige mensen werkt een combinatie van cognitieve gedragstherapie en medicatie het best, zeker als er ernstige klachten zijn.
Antidepressiva krijg je vaak voor minimaal een jaar voorgeschreven. Daarna kun je samen met je arts bekijken of je de medicatie kunt afbouwen. Dat gebeurt stapsgewijs. Helaas komen bij sommige mensen de angstklachten toch weer terug. Dan is er opnieuw een behandeling nodig.
Soms lukt gedragstherapie niet, omdat je té angstig bent om echt goed te oefenen. Dan kan het in sommige gevallen werken om eerst met antidepressiva te starten, waardoor je je minder angstig gaat voelen. Daarna kun je opnieuw beginnen met gedragstherapie. Zo kun je op een dag gaan afbouwen en uiteindelijk stoppen met medicatie en je goed blijven voelen.
Brochure | Leven met een angststoornis
Gevolgen van een angststoornis
Een angststoornis kan het leven zwaar maken. Ook kun je problemen krijgen op werk of school en in je sociale leven.
-
Thuis
Je angst kan ervoor zorgen dat je je moeilijk kan ontspannen. Misschien slaap je ook slechter, waardoor je overdag moe bent. Misschien kan je dagelijkse taken niet meer aan, of vermijd je ze. Zoals koken, schoonmaken of boodschappen doen. Een angststoornis kan ervoor zorgen dat je niet meer goed voor jezelf kunt zorgen.
-
Op werk of school
Soms kun je door de angst moeite hebben op school. Ook kan het moeilijk zijn om werk te krijgen. Bijvoorbeeld als je niet met het openbaar vervoer of op de snelweg durft te komen. Maar ook op het werk kan het functioneren lastiger gaan. Je kunt je moeilijk concentreren, bijvoorbeeld door piekeren. Ook kun je door je angst bepaalde dingen die je moet doen vermijden, zoals vergaderingen, presentaties of toetsen. Je meldt je vaker ziek, komt minder vaak opdagen of bereid je extreem zorgvuldig voor. Hierdoor krijg je je werk niet af. Dit kan zorgen voor problemen op werk of school en kan weer extra stress geven.
-
Sociale contacten
Angst beïnvloedt ook je contacten met anderen. Je kunt sociale gebeurtenissen gaan vermijden, zoals feestjes, verjaardagen of afspraken met vrienden. Je voelt je misschien sneller onzeker of bang dat anderen iets van je vinden. Je kunt je terug gaan trekken en vaker afzeggen. Hierdoor kunnen relaties verslechteren. En je kunt je eenzamer gaan voelen.
-
Vrije tijd
Vrije tijd hoort ontspannend te zijn, maar dat lukt vaak niet meer goed met een angststoornis. Je vermijdt bijvoorbeeld activiteiten waar je bang voor bent, zoals sporten, reizen of naar drukke plekken gaan. Je wereld wordt kleiner, omdat je steeds minder durft te ondernemen.
Je angst kan ervoor zorgen dat je je moeilijk kan ontspannen. Misschien slaap je ook slechter, waardoor je overdag moe bent. Misschien kan je dagelijkse taken niet meer aan, of vermijd je ze. Zoals koken, schoonmaken of boodschappen doen. Een angststoornis kan ervoor zorgen dat je niet meer goed voor jezelf kunt zorgen.
Soms kun je door de angst moeite hebben op school. Ook kan het moeilijk zijn om werk te krijgen. Bijvoorbeeld als je niet met het openbaar vervoer of op de snelweg durft te komen. Maar ook op het werk kan het functioneren lastiger gaan. Je kunt je moeilijk concentreren, bijvoorbeeld door piekeren. Ook kun je door je angst bepaalde dingen die je moet doen vermijden, zoals vergaderingen, presentaties of toetsen. Je meldt je vaker ziek, komt minder vaak opdagen of bereid je extreem zorgvuldig voor. Hierdoor krijg je je werk niet af. Dit kan zorgen voor problemen op werk of school en kan weer extra stress geven.
Angst beïnvloedt ook je contacten met anderen. Je kunt sociale gebeurtenissen gaan vermijden, zoals feestjes, verjaardagen of afspraken met vrienden. Je voelt je misschien sneller onzeker of bang dat anderen iets van je vinden. Je kunt je terug gaan trekken en vaker afzeggen. Hierdoor kunnen relaties verslechteren. En je kunt je eenzamer gaan voelen.
Vrije tijd hoort ontspannend te zijn, maar dat lukt vaak niet meer goed met een angststoornis. Je vermijdt bijvoorbeeld activiteiten waar je bang voor bent, zoals sporten, reizen of naar drukke plekken gaan. Je wereld wordt kleiner, omdat je steeds minder durft te ondernemen.
Als je niets doet aan een angststoornis gaat deze vaak niet vanzelf over. De kans bestaat ook dat je klachten zich uitbreiden en dat je meer plekken en dingen gaat vermijden. Ook kan je hierdoor andere angststoornissen of een depressie krijgen. Sommige mensen pakken ongezonde gewoontes op om de angst te dempen, zoals alcohol drinken. Denk daarom niet te snel ‘het gaat wel weer over’, en zoek hulp.
Vooruitzichten met een angststoornis
Cognitieve gedragstherapie en antidepressiva zijn goed onderzocht en werken voor veel mensen goed. Maar voor sommige mensen is het lastig om een behandeling te vinden die werkt.
Daarnaast kun je kwetsbaar blijven voor angstklachten. Ook als je hersteld bent van een angststoornis. Sommige mensen krijgen pas na een aantal jaar weer last van angst.
Het is goed om alert te blijven op weer beginnende klachten. Je kunt dan de technieken weer inzetten die je eerder tijdens de therapie hebt geleerd. Als dat onvoldoende werkt, zoek dan weer tijdig hulp.
Tips voor mensen met een (beginnende) angststoornis
Heb je angstklachten, dan kun je door goed voor jezelf te zorgen het risico op een angststoornis verkleinen. Ook als je een angststoornis hebt, dan helpen deze tips.
- Probeer een goed beeld te krijgen van je angsten. Houd bijvoorbeeld een dagboek bij. Probeer antwoord te geven op vragen als ‘Waar ben ik bang voor?’ ‘Hoe beïnvloeden deze angsten mijn leven?’ ‘Hoe reageert mijn lichaam op (beginnende) angst of paniek? Wat doe ik dan?’
- Praat over je angsten met je partner of mensen die belangrijk voor je zijn. Zij zullen je beter gaan begrijpen en je voelt je minder alleen. Je hoeft je niet te schamen.
- Probeer moeilijke situaties niet uit de weg te gaan. Door de strijd met je angst in kleine stapjes aan te gaan zul je zien dat je angst steeds iets minder kan worden.
- Ga bewegen, bijvoorbeeld zwemmen, fietsen of wandelen.
- Ga naar buiten: frisse lucht en zonlicht doen je goed.
- Drink geen alcohol en gebruik geen drugs. Het kalmerende effect en de vermindering van je angst van alcohol en drugs is namelijk maar tijdelijk. Op de lange termijn kunnen ze je angst juist versterken. XTC en cocaïne (coke) kunnen zelfs snel paniek en angst veroorzaken.
- Drink niet te veel dranken met cafeïne, zoals koffie of cola. Deze kunnen een (nieuwe) paniekaanval bij je uitlokken.
Tips voor naasten
Voor naasten en familie kan het net zo moeilijk zijn om met gevolgen van een angststoornis om te gaan als voor de patiënt zelf. De ADF Stichting is een patiëntenvereniging voor mensen die hetzelfde meemaken (lotgenotencontact). Daar kun je ook als naaste terecht voor meer hulp en sociale steun. Als naaste van iemand met een angststoornis, helpen deze tips.
- Toon begrip. Zeg niet tegen iemand dat hij of zij rustig moet worden of dat de angst niet terecht is. Dit zal niet helpen en je naaste zal zich niet gehoord voelen.
- Vraag eens of en hoe je kunt helpen. Maar pas tegelijkertijd op dat de angststoornis niet ook jouw leven gaat beheersen. Bespreek hoe je samen met de angst om kunt gaan. En zorg ervoor dat je geen taken gaat overnemen waardoor je naaste nog meer plekken en dingen gaat vermijden. Dat verlicht misschien even de stress, maar de angst en vermijding worden er ernstiger door.
- Ga bijvoorbeeld regelmatig samen sporten, kies een sport die je allebei leuk vindt en trek de ander daarmee over de drempel.
- Zorg ook goed voor jezelf. Blijf je eigen dingen doen. Je bent veelal de spil en het anker voor je naaste, dat moet je kunnen volhouden. Vraag ook andere familie of vrienden om mee te helpen de zorg voor je naaste te organiseren.
- Help je naaste met het zoeken van hulp. Schakel op tijd de huisarts in.
- Geef complimenten bij succes, hoe klein ook. Dit is een goede manier om iemand te versterken. Ook ontstaat er zo meer wederzijds vertrouwen en een prettige manier van contact.
- Probeer je in je naaste te verplaatsen: verzamel zoveel mogelijk informatie, zoek online of er in jouw omgeving voorlichtingsbijeenkomsten of zelfs cursussen worden aangeboden.
De Hersenstichting heeft bij het opstellen van deze tekst dankbaar gebruik gemaakt van adviezen van
- Prof. dr. Koen R.J. Schruers, psychiater, Universiteit Maastricht en Mondriaan
- Prof. dr. Neeltje Batelaan, psychiater en universitair hoofddocent, Amsterdam UMC en GGZ inGeest Amsterdam
Laatste update: juli 2026