Onderwerpen op deze pagina

Er zijn drie criteria die het onderscheid bepalen tussen angst en een angststoornis:

  1. Als iemand meer dan één uur per dag last heeft van de angst
  2. De angst moet zo’n impact hebben op het dagelijkse leven dat iemand niet goed meer functioneert
  3. Er moet een gevoel van onvermogen zijn om zelf de situatie te veranderen

Oorzaken

Bij het ontstaan van angststoornissen kunnen zowel biologische, sociale als psychische factoren een rol spelen.

  • Biologische factoren

    Sommige mensen hebben erfelijke aanleg om een angststoornis te ontwikkelen. Ook zijn er aanwijzingen dat angstverschijnselen kunnen ontstaan als gevolg van beschadiging door een hersenaandoening, bijvoorbeeld door de ziekte van Parkinson of na een herseninfarct. Geslacht kan ook bepalend zijn. Zo lijden vrouwen vaker aan angststoornissen dan mannen.

  • Sociale factoren

    Dit zijn factoren die te maken hebben met ervaringen met anderen en de omgeving waarin je leeft, zoals onveilige situaties in iemands jeugd, gepest worden of het meemaken van een trauma. Ook werkloosheid, laag inkomen, lage opleiding, eenzaamheid en een gebrek aan sociale steun zijn risicofactoren. De invloed van opvoeding is echter klein. Te beschermende, angstige of kritische opvoedstijlen hebben geen noemenswaardig effect.

  • Psychische factoren

    Hier gaat het om eigenschappen of karaktertrekken die het risico op een angststoornis kunnen verhogen. Introversie bijvoorbeeld: de focus op de eigen gevoelens en gedachten. Maar ook neuroticisme (emotionele onstabiliteit).

Sommige mensen hebben erfelijke aanleg om een angststoornis te ontwikkelen. Ook zijn er aanwijzingen dat angstverschijnselen kunnen ontstaan als gevolg van beschadiging door een hersenaandoening, bijvoorbeeld door de ziekte van Parkinson of na een herseninfarct. Geslacht kan ook bepalend zijn. Zo lijden vrouwen vaker aan angststoornissen dan mannen.

Dit zijn factoren die te maken hebben met ervaringen met anderen en de omgeving waarin je leeft, zoals onveilige situaties in iemands jeugd, gepest worden of het meemaken van een trauma. Ook werkloosheid, laag inkomen, lage opleiding, eenzaamheid en een gebrek aan sociale steun zijn risicofactoren. De invloed van opvoeding is echter klein. Te beschermende, angstige of kritische opvoedstijlen hebben geen noemenswaardig effect.

Hier gaat het om eigenschappen of karaktertrekken die het risico op een angststoornis kunnen verhogen. Introversie bijvoorbeeld: de focus op de eigen gevoelens en gedachten. Maar ook neuroticisme (emotionele onstabiliteit).

Uit neurobiologisch onderzoek blijkt dat het hersenangstcircuit bij mensen met een angststoornis niet goed functioneert. De signaalstoffen serotonine, dopamine en noadrenaline spelen daarbij een belangrijke rol. Bij mensen met een angststoornis werken deze niet goed. Ook is er vaak een teveel aan glutamaat – de belangrijkste stimulerende signaalstof – en juist een tekort aan GABA – de rustgevende signaalstof. Hierdoor reageert men in sommige situaties sneller en heftiger. Bovendien lijkt bij veel angststoornissen de verbinding tussen de hypothalamus, de hypofyse en de bijnier verstoord te zijn. Deze verbinding is belangrijk bij de stressreactie van ons lichaam.

Soorten angststoornissen

De term angststoornis is een verzamelnaam. Hieronder volgt een korte beschrijving van de meest voorkomende soorten angsten. Meer informatie is te vinden onder de specifieke vormen.

  • Een paniekstoornis wordt gekenmerkt door aanvallen (paniekaanval) van een steeds terugkerende, overweldigende angst. Een paniekaanval is een korte, hevige angst die vaak onverwachts optreedt. Er horen lichamelijke verschijnselen bij, zoals hartkloppingen, zweten, ademnood, duizeligheid, een beklemmend gevoel op de borst, trillen of beven, misselijkheid en opvliegers of koude rillingen.
  • Een fobie is een angst voor een specifiek object of een specifieke situatie, zoals bij angst voor spinnen of voor de tandarts. Vaak weten betrokkenen  dat de angst overdreven en ongegrond is, en toch wint de angst het bijna altijd van dit besef. Iemand met een fobie doet alles om de gevreesde situatie te vermijden. Mislukt dit, dan ontstaat een paniekaanval of extreme angst, met bijbehorende lichamelijke verschijnselen.
  • Daarentegen is bij een gegeneraliseerde angst sprake van een continue gespannenheid, waarbij mensen piekeren over alledaagse dingen, zoals gezondheid of werk. Het wordt ook wel de piekerstoornis genoemd.
  • Het komt vaak voor dat mensen een combinatie hebben van angststoornissen. Een bekend voorbeeld is pleinvrees (agorafobie), waarbij zowel paniek als sociale angst een rol kan spelen. De stoornissen staan niet los van elkaar. Soms staat de paniek op de voorgrond, soms juist angst voor sociale omstandigheden. Dan per persoon ook veranderen met de tijd.

Stoornissen die niet tot de groep angststoornissen worden gerekend, maar waarbij angstklachten wel een belangrijke rol spelen zijn de obsessief-compulsieve stoornisposttraumatische stressstoornis en de acute stressstoornis.

Heb je vragen over (de gevolgen van) een hersenaandoening of over behandelingen? Onze medewerkers van de infolijn helpen je graag. Neem gerust contact op via mail of telefoon.

Folder | Leven met een angststoornis

Angststoornissen hebben hun oorsprong in de hersenen. Iedereen is wel eens angstig. Maar als je angstig bent zonder aanleiding, of als de angst je dagelijkse leven beheerst, is er sprake van een angststoornis.Deze folder gaat…

Behandeling

De behandeling van een angststoornis – ook als die het gevolg is van een beschadiging door een hersenaandoening – gebeurt met gedragstherapie en met medicatie (serotonine- heropnameremmers). Het is moeilijk te voorspellen wat bij wie gaat werken. Helaas kan slechts een minderheid van de mensen volledig genezen van een angststoornis. Meestal blijft iemand ondanks behandeling toch gevoelig voor de angststoornis. Zo is het voor veel mensen feitelijk een chronische aandoening.

Onderzoek moet uitwijzen of het zinvol is om mensen na herstel van hun angststoornis nog een tijdje medicatie te laten gebruiken en zo ja, hoelang deze noodzaak bestaat. Naast deze behandelmethoden loopt er onderzoek naar het effect van psilocybine (een hallucinerende stof die in bepaalde paddenstoelen zit) op angststoornissen. Ook wordt de werking van Deep Brain Stimulation onderzocht.

1.055.200 mensen

Volgens het RIVM was dit het aantal mensen tussen de 18 en 64 met een angststoornis.

348.400 mensen

In 2016 was dit het aantal mensen met een angststoornis geregistreerd bij de huisarts.