Ik zie jou
Geplaatst op 06 augustus, 2026
Dementie is een verzamelnaam van verschillende hersenaandoeningen. Bij dementie kun je steeds minder goed denken. Je hersenen kunnen informatie niet meer goed verwerken. Ook verandert je gedrag.
Dementie kan worden veroorzaakt door veel verschillende soorten hersenaandoeningen. Deze aandoeningen verschillen van elkaar, maar hebben ook een paar dezelfde kenmerken. Zo raken de hersenen beschadigd en dat wordt langzaam steeds erger. De klachten die je daardoor hebt, worden ook steeds erger.
In totaal zijn er meer dan 50 vormen van dementie. Heel soms is de oorzaak te behandelen of zelfs te genezen, zoals een bloedvatontsteking. Maar de meest voorkomende zijn neurodegeneratief: langzaam toenemende blijvende ziekten. Voorbeelden van neurodegeneratieve hersenaandoeningen zijn:
Bij de ziekte van Alzheimer hopen alzheimer-eiwitten zich op in de hersencellen. Ook tussen de hersencellen komen steeds meer van deze eiwitophopingen. Die ophopingen zijn schadelijk. Ze zorgen dat hersencellen steeds minder boodschappen aan elkaar doorgeven. Uiteindelijk sterven veel hersencellen af.
Je krijgt hierdoor problemen met je geheugen of je reageert traag. Ook wordt het moeilijker om te plannen en overzicht te houden. Verder kan bijvoorbeeld het praten steeds lastiger worden. De ziekte van Alzheimer kan samen met een andere vorm van dementie voorkomen, zoals vasculaire dementie.
Lees meer over de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie
Bij LBD spelen andere eiwitten een rol, de zogenaamde Lewy-lichaampjes. Deze hopen zich op in de hersencellen. Dat maakt het voor hersencellen moeilijker om boodschappen door te geven. Je krijgt eerst problemen met opletten: het wordt moeilijker om je aandacht ergens bij te houden. Dit wisselt vaak van moment tot moment. Ook weet je soms niet goed waar je bent of welke dag het is. Soms zie je dingen die er niet zijn (hallucinaties).
Daarnaast krijg je klachten die lijken op die van de ziekte van Parkinson. Dit heet ook wel parkinsonisme. Sommige delen van je lichaam beginnen te beven en worden stijf. Je beweegt traag, loopt moeilijk en je houding is gebogen.
FTD begint vaak al op een jongere leeftijd, tussen 50 en 60 jaar. Net als bij LBD en alzheimer spelen eiwit-ophopingen een rol in de ziekte. Bij FTD ontstaat hierdoor schade aan de voorste delen van de hersenen. Deze delen helpen je met verschillende denktaken. Zoals het plannen van dingen, praten en taal en je eigen gevoelens en die van anderen begrijpen. Je klachten hebben daar dus ook mee te maken.
Je bent bijvoorbeeld snel het overzicht kwijt, reageert geprikkeld of komt moeilijk uit je woorden. Je bent veel te druk (ontremming), of je hebt juist helemaal nergens zin in. Je kan gevoelens van anderen minder goed herkennen. Door al die dingen lijkt het voor andere mensen soms wel of je een andere persoon bent geworden.
Vasculaire dementie ontstaat door schade aan de hersenen na meerdere herseninfarcten of ongezonde bloedvaten in de hersenen. Het hersenweefsel krijgt hierdoor te weinig bloed en zuurstof en sterft af.
De plek van de infarcten bepaalt welke klachten je hebt. Soms ga je langzamer praten en denken. Maar je kunt ook last krijgen van lichamelijke klachten, zoals moeite met lopen of verlamming. Op oudere leeftijd krijg je vaak vasculaire dementie tegelijk met de ziekte van Alzheimer.
Bij de ziekte van Alzheimer hopen alzheimer-eiwitten zich op in de hersencellen. Ook tussen de hersencellen komen steeds meer van deze eiwitophopingen. Die ophopingen zijn schadelijk. Ze zorgen dat hersencellen steeds minder boodschappen aan elkaar doorgeven. Uiteindelijk sterven veel hersencellen af.
Je krijgt hierdoor problemen met je geheugen of je reageert traag. Ook wordt het moeilijker om te plannen en overzicht te houden. Verder kan bijvoorbeeld het praten steeds lastiger worden. De ziekte van Alzheimer kan samen met een andere vorm van dementie voorkomen, zoals vasculaire dementie.
Lees meer over de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie
Bij LBD spelen andere eiwitten een rol, de zogenaamde Lewy-lichaampjes. Deze hopen zich op in de hersencellen. Dat maakt het voor hersencellen moeilijker om boodschappen door te geven. Je krijgt eerst problemen met opletten: het wordt moeilijker om je aandacht ergens bij te houden. Dit wisselt vaak van moment tot moment. Ook weet je soms niet goed waar je bent of welke dag het is. Soms zie je dingen die er niet zijn (hallucinaties).
Daarnaast krijg je klachten die lijken op die van de ziekte van Parkinson. Dit heet ook wel parkinsonisme. Sommige delen van je lichaam beginnen te beven en worden stijf. Je beweegt traag, loopt moeilijk en je houding is gebogen.
FTD begint vaak al op een jongere leeftijd, tussen 50 en 60 jaar. Net als bij LBD en alzheimer spelen eiwit-ophopingen een rol in de ziekte. Bij FTD ontstaat hierdoor schade aan de voorste delen van de hersenen. Deze delen helpen je met verschillende denktaken. Zoals het plannen van dingen, praten en taal en je eigen gevoelens en die van anderen begrijpen. Je klachten hebben daar dus ook mee te maken.
Je bent bijvoorbeeld snel het overzicht kwijt, reageert geprikkeld of komt moeilijk uit je woorden. Je bent veel te druk (ontremming), of je hebt juist helemaal nergens zin in. Je kan gevoelens van anderen minder goed herkennen. Door al die dingen lijkt het voor andere mensen soms wel of je een andere persoon bent geworden.
Vasculaire dementie ontstaat door schade aan de hersenen na meerdere herseninfarcten of ongezonde bloedvaten in de hersenen. Het hersenweefsel krijgt hierdoor te weinig bloed en zuurstof en sterft af.
De plek van de infarcten bepaalt welke klachten je hebt. Soms ga je langzamer praten en denken. Maar je kunt ook last krijgen van lichamelijke klachten, zoals moeite met lopen of verlamming. Op oudere leeftijd krijg je vaak vasculaire dementie tegelijk met de ziekte van Alzheimer.
Primair progressieve afasie (PPA) is een vorm van dementie waarbij iemand steeds meer moeite krijgt met taal. Dit kan problemen geven met praten, schrijven, lezen en het begrijpen van wat anderen zeggen. Geheugenproblemen zijn er in het begin meestal nog niet of nauwelijks.
Posterieure corticale atrofie (PCA) is een zeldzame vorm van dementie. Mensen met PCA krijgen vooral problemen met zien en het verwerken van wat ze zien. Daardoor kunnen zij bijvoorbeeld moeite hebben met het herkennen van voorwerpen of het inschatten van afstanden. Ongeveer 90% van de mensen met PCA krijgt uiteindelijk de ziekte van Alzheimer.
De meeste vormen van dementie beginnen op latere leeftijd. Daarom denkt een arts niet snel aan dementie als je jonger bent. Als je dementie krijgt op jonge leeftijd, begint het vaak niet met geheugenklachten, maar met problemen met andere vaardigheden.
Ook als je wel vergeetachtigheid bent, denkt je omgeving meestal dat dit door iets anders komt. Bijvoorbeeld door een depressie of burn-out. Dat komt doordat de klachten bij een depressie of burn-out heel veel kunnen lijken op de klachten bij dementie. Het is dan erg vervelend als je niet de goede diagnose krijgt. Je voelt je niet serieus genomen en je omgeving snapt niet wat er met je aan de hand is. De diagnose dementie zorgt dan vaak voor meer rust en begrip.
Wanneer je steeds meer begint te vergeten, kan dat een eerste waarschuwing voor dementie zijn. Maar niet iedereen die dingen vergeet, heeft dementie. Daarvoor moet je last hebben van meerdere klachten. Door deze klachten heb je steeds meer moeite met allerlei dingen in het dagelijkse leven.
Elke vorm van dementie heeft zijn eigen kenmerken. De meeste klachten hebben te maken met denken, je geheugen, het doen van dagelijkse dingen, gedrag en emoties.
Je vergeet steeds meer als je dementie hebt. Dat gebeurt vooral bij nieuwe informatie. Je weet bijvoorbeeld in de middag niet meer goed wat je die ochtend hebt gedaan. Of wat iemand je net verteld heeft.
Verder kan het ook gebeuren dat je moeite hebt met nadenken. Je kunt dat merken aan allerlei verschillende klachten:
Je kunt moeite hebben met gewone dingen, zoals koken, wassen en opruimen. Je gaat misschien minder vaak langs bij anderen en zit steeds vaker alleen voor de tv. Soms leg je dingen op de verkeerde plekken terug, bijvoorbeeld de afstandsbediening in de koelkast. Meestal merk je dit zelf helemaal niet. Maar je naasten kunnen dit wel opmerken.
Dementie kun je ook herkennen aan veranderend gedrag. Iemand kan bijvoorbeeld steeds geen energie of zin hebben om iets te doen, vaak onrustig zijn, in het niets staren, doen alsof er niets aan de hand is, snel agressief worden of veel om hulp vragen.
Je naasten kunnen zien dat je dingen doet die niet bij je passen. Bijvoorbeeld dat je spullen laat slingeren, terwijl mensen je kennen als een opgeruimd persoon. Of dat je ineens heel veel geld uitgeeft, terwijl je altijd zuinig bent geweest.
Als je dementie hebt, kun je je ook anders gaan voelen. Bijvoorbeeld angstig of depressief. Of je hebt steeds vaker het gevoel dat je in de war bent. Ook kun je het gevoel hebben dat je andere mensen niet meer kunt vertrouwen.
mensen hebben naar schatting dementie.
mensen zijn in 2023 nieuw geregistreerd bij de huisarts met de diagnose dementie.
mensen overleden in 2023 aan dementie.
Het is niet altijd gemakkelijk om de diagnose dementie te stellen. Er zijn verschillende kenmerken. Die kunnen door dementie komen, maar ook een andere oorzaak hebben. Een bekend voorbeeld is plotselinge verwardheid (delier of delirium). Bij een delier gaan de klachten na een tijdje weer over. Dat is niet zo bij dementie.
Ga met klachten altijd eerst naar je huisarts. Die zal je vragen stellen om te kijken hoe het met jou en je geheugen gaat. De huisarts kan ook vragen naar andere klachten, zoals moeite met praten en vragen om wat opdrachten te doen (bijvoorbeeld aangeven welke dag het is). Daarnaast kan de arts je urine en bloed onderzoeken.
Ook kan je huisarts vragen stellen aan iemand die jou goed kent, zoals je partner of een familielid. Een naaste weet goed wanneer jij anders doet dan normaal. Dat helpt de huisarts om je klachten beter te begrijpen.
Als je huisarts vindt dat er verder onderzoek nodig is, stuurt deze je door naar een specialist in het ziekenhuis. Dit is een of arts die veel weet over een onderwerp. Bijvoorbeeld over de hersenen (neuroloog) of ouderdomsklachten (geriater). Hier gaat het onderzoek verder. Het onderzoek bij de specialist bestaat vaak uit:
Soms kan de specialist ook nog voor een ruggenprik kiezen. Hiermee wordt hersenvocht afgenomen. Dat gebeurt via een prik in je rug, onderaan in de wervelkolom. Dit is niet heel pijnlijk. Je kunt het vergelijken met een prik om bloed af te nemen.
Na het onderzoek stelt de specialist vast of je een vorm van dementie hebt en welke vorm dit is. Als het dementie is, beslis je met de arts over een mogelijke behandeling om de klachten te verminderen. Is het geen dementie, of is het nog steeds niet duidelijk? Dan kan er meer onderzoek nodig zijn.
Bij dementie raken de hersenen steeds verder beschadigd. De manier waarop dat gebeurt, is bij iedere vorm van dementie anders.
De beschadigingen in de hersenen zorgen voor de klachten die bij dementie horen. Waardoor die beschadigingen ontstaan, is niet altijd duidelijk. Er zijn wel dingen die de kans op deze beschadigingen groter maken, zoals:
Dementie is meestal niet erfelijk. De kans op dementie neemt vooral toe met de leeftijd. Soms komt dementie vaker voor in een familie, maar dat betekent niet automatisch dat er sprake is van erfelijkheid. Alleen bij een klein deel van de mensen, bijvoorbeeld bij sommige vormen van dementie die op jonge leeftijd beginnen, speelt een erfelijke oorzaak een rol. Als meerdere mensen in de familie op jonge leeftijd dementie hebben gekregen, is DNA-onderzoek mogelijk. Je kan hiernaar vragen bij de arts.
Nederlanders worden steeds ouder en er zullen daardoor steeds meer mensen dementie krijgen. Hoe ouder je namelijk wordt, hoe groter de kans is dat je dementie krijgt. Maar leeftijd is niet op zichzelf een oorzaak van dementie.
Bij dementie raken de hersenen steeds verder beschadigd. Als je hersenen schade oplopen, wordt de kans op dementie groter. Bijvoorbeeld door een groot ongeluk op jonge leeftijd. Er ontstaat dan littekenweefsel in de hersenen. De hersenen kunnen dan minder goed omgaan met nieuwe schade. Daardoor kunnen geheugen- en denkproblemen eerder merkbaar worden.
Ook sporten waarbij je hersenen regelmatig lichte of grote klappen krijgen (denk aan boksen, veel koppen bij het voetballen of rugby), vergroten mogelijk de kans op dementie. Blijvende hersenschade door stoten en klappen op het hoofd worden CTE genoemd. Vanwege de kans op hersenschade is het advies om jonge kinderen niet meer te laten koppen bij voetbal.
Wetenschappers doen onderzoek naar het verband tussen hersenschade en dementie. Hoe sterk dit verband is, is nog niet duidelijk.
Bij vasculaire dementie raken bloedvaten in de hersenen beschadigd. Bijvoorbeeld door een beroerte, roken, diabetes en een hoge bloeddruk. Door hoge bloeddruk op tijd te behandelen, kun je de kans op vasculaire dementie verkleinen.
Er zijn nog een paar dingen die te maken hebben met dementie. Het is alleen niet zeker dat ze ook dementie veroorzaken. Of hoe ze precies met elkaar te maken hebben. Mensen die weinig bewegen, hebben bijvoorbeeld meer kans om dementie te krijgen. Dat geldt ook voor mensen die slecht horen. Ook kunnen onbehandelde oogproblemen misschien de kans op dementie vergroten. Het idee is dat je hersenen minder actief worden als je slecht hoort of zien. Of je praat bijvoorbeeld steeds minder met andere mensen, omdat je ze moeilijk verstaat. Daardoor worden je hersenen minder geprikkeld en dat vergroot de kans op dementie. Dat geldt ook voor mensen die weinig contact met anderen hebben.
Dementie is meestal niet erfelijk. De kans op dementie neemt vooral toe met de leeftijd. Soms komt dementie vaker voor in een familie, maar dat betekent niet automatisch dat er sprake is van erfelijkheid. Alleen bij een klein deel van de mensen, bijvoorbeeld bij sommige vormen van dementie die op jonge leeftijd beginnen, speelt een erfelijke oorzaak een rol. Als meerdere mensen in de familie op jonge leeftijd dementie hebben gekregen, is DNA-onderzoek mogelijk. Je kan hiernaar vragen bij de arts.
Nederlanders worden steeds ouder en er zullen daardoor steeds meer mensen dementie krijgen. Hoe ouder je namelijk wordt, hoe groter de kans is dat je dementie krijgt. Maar leeftijd is niet op zichzelf een oorzaak van dementie.
Bij dementie raken de hersenen steeds verder beschadigd. Als je hersenen schade oplopen, wordt de kans op dementie groter. Bijvoorbeeld door een groot ongeluk op jonge leeftijd. Er ontstaat dan littekenweefsel in de hersenen. De hersenen kunnen dan minder goed omgaan met nieuwe schade. Daardoor kunnen geheugen- en denkproblemen eerder merkbaar worden.
Ook sporten waarbij je hersenen regelmatig lichte of grote klappen krijgen (denk aan boksen, veel koppen bij het voetballen of rugby), vergroten mogelijk de kans op dementie. Blijvende hersenschade door stoten en klappen op het hoofd worden CTE genoemd. Vanwege de kans op hersenschade is het advies om jonge kinderen niet meer te laten koppen bij voetbal.
Wetenschappers doen onderzoek naar het verband tussen hersenschade en dementie. Hoe sterk dit verband is, is nog niet duidelijk.
Bij vasculaire dementie raken bloedvaten in de hersenen beschadigd. Bijvoorbeeld door een beroerte, roken, diabetes en een hoge bloeddruk. Door hoge bloeddruk op tijd te behandelen, kun je de kans op vasculaire dementie verkleinen.
Er zijn nog een paar dingen die te maken hebben met dementie. Het is alleen niet zeker dat ze ook dementie veroorzaken. Of hoe ze precies met elkaar te maken hebben. Mensen die weinig bewegen, hebben bijvoorbeeld meer kans om dementie te krijgen. Dat geldt ook voor mensen die slecht horen. Ook kunnen onbehandelde oogproblemen misschien de kans op dementie vergroten. Het idee is dat je hersenen minder actief worden als je slecht hoort of zien. Of je praat bijvoorbeeld steeds minder met andere mensen, omdat je ze moeilijk verstaat. Daardoor worden je hersenen minder geprikkeld en dat vergroot de kans op dementie. Dat geldt ook voor mensen die weinig contact met anderen hebben.
De vader van Sanne heeft frontotemporale dementie. “59 jaar… te jong om de wereld te verlaten. En dat kan en mag ook niet! Ik wil en kan niet zonder jou! Ik mis je nu al!”
Van dementie kun je niet genezen. Medicijnen en behandelingen kunnen wel helpen om minder last te hebben van klachten.
Medicijnen kunnen dementie niet stoppen, maar ze kunnen sommige klachten wel verlichten. Ook kunnen ze helpen om beter met de gevolgen van dementie om te gaan. Dat kan zorgen voor meer rust en minder angst. Ook zijn er medicijnen die ervoor zorgen dat je je minder somber voelt en beter slaapt. De bijwerkingen kunnen vervelend zijn, en zijn voor elke persoon anders. Vraag hier dus naar bij je arts.
Verder is het goed om te weten dat medicijnen maar voor een deel helpen en niet voor iedereen. De klachten gaan nooit helemaal over. Ook werken de medicijnen vaak maar voor een bepaalde tijd. Daarna kunnen de klachten weer terugkomen.
Als je dementie hebt, kunnen gewone taken veel moeite kosten. Een kopje thee zetten of een douche nemen kan een hele uitdaging zijn. Een ergotherapeut helpt je om dit makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door je te leren hoe je sommige dingen anders kunt doen. Of door je met hulpmiddelen weer op weg te helpen in huis.
Een van de kenmerken van dementie is moeite met taal. Je hebt dan moeite om andere mensen te begrijpen, maar ook om te zeggen wat je wilt. Een logopedist helpt je hierbij. Bijvoorbeeld door op een andere manier dingen duidelijk te maken, zoals met een lijstje of agenda.
Mensen met dementie gaan minder snel achteruit als ze actief bezig blijven. Zo is het goed om minstens 5 keer per week een halfuur matig intensief te bewegen. Dat betekent dat je je hartslag voelt versnellen, maar niet buiten adem raakt.
Ook is het belangrijk dat je contact blijft houden met andere mensen. Je kunt dan bijvoorbeeld samen herinneringen ophalen. Een spelletje spelen of puzzelen, werkt vaak ook goed. Deze activiteiten worden ook aangeboden bij dagbesteding voor mensen met dementie.
Medicijnen kunnen dementie niet stoppen, maar ze kunnen sommige klachten wel verlichten. Ook kunnen ze helpen om beter met de gevolgen van dementie om te gaan. Dat kan zorgen voor meer rust en minder angst. Ook zijn er medicijnen die ervoor zorgen dat je je minder somber voelt en beter slaapt. De bijwerkingen kunnen vervelend zijn, en zijn voor elke persoon anders. Vraag hier dus naar bij je arts.
Verder is het goed om te weten dat medicijnen maar voor een deel helpen en niet voor iedereen. De klachten gaan nooit helemaal over. Ook werken de medicijnen vaak maar voor een bepaalde tijd. Daarna kunnen de klachten weer terugkomen.
Als je dementie hebt, kunnen gewone taken veel moeite kosten. Een kopje thee zetten of een douche nemen kan een hele uitdaging zijn. Een ergotherapeut helpt je om dit makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door je te leren hoe je sommige dingen anders kunt doen. Of door je met hulpmiddelen weer op weg te helpen in huis.
Een van de kenmerken van dementie is moeite met taal. Je hebt dan moeite om andere mensen te begrijpen, maar ook om te zeggen wat je wilt. Een logopedist helpt je hierbij. Bijvoorbeeld door op een andere manier dingen duidelijk te maken, zoals met een lijstje of agenda.
Mensen met dementie gaan minder snel achteruit als ze actief bezig blijven. Zo is het goed om minstens 5 keer per week een halfuur matig intensief te bewegen. Dat betekent dat je je hartslag voelt versnellen, maar niet buiten adem raakt.
Ook is het belangrijk dat je contact blijft houden met andere mensen. Je kunt dan bijvoorbeeld samen herinneringen ophalen. Een spelletje spelen of puzzelen, werkt vaak ook goed. Deze activiteiten worden ook aangeboden bij dagbesteding voor mensen met dementie.
Als je dementie krijgt, heeft dat gevolgen voor jou en je omgeving. Op de korte termijn, maar ook op de lange termijn. Bij dementie gaan de hersenen steeds verder achteruit. Je klachten zullen dan ook erger worden.
Als je dementie hebt, wordt het steeds lastiger om dingen zelf te doen. Omdat je niet meer goed weet hoe je iets moet doen, of omdat je lichaam niet doet wat je wilt. Je stemming kan ook veranderen. Je voelt je misschien verdrietig of je hebt misschien geen zin meer om andere mensen te zien. Hoe langer je dementie hebt, hoe meer hulp van anderen je nodig hebt. Dementie kan voelen als een groot verlies en verdriet. Het is niet gek om te voelen alsof je rouwt, ook al is nog niet alles verloren. Dit heet: levend verlies of levende rouw. Het kan ook zo zijn dat je zelf niet goed doorhebt dat dingen steeds lastiger gaan. Dan kan het vervelend voelen om toch hulp te krijgen.
Het is moeilijk om een naaste met dementie achteruit te zien gaan. Iemand kan steeds meer hulp nodig hebben, maar dit zelf helemaal niet nodig vinden. Daarnaast kan het karakter van je naaste veranderen. Vaak heeft iemand met dementie zelf niet of minder door wat er aan de hand is. Iemand kan achterdochtig naar familie en vrienden worden en deze uiteindelijk niet meer herkennen. Als naaste kan het voelen alsof je je partner, vriend of familielid zoals die altijd was, verliest. Je kunt te maken krijgen met gevoelens van verdriet en rouw.
Voor alle vormen van dementie geldt dat de klachten steeds erger worden. Maar hoe dat precies gaat, verschilt per vorm. Dit kan ook per persoon weer verschillen en is daardoor eigenlijk niet te voorspellen. Vroege behandeling en begeleiding zorgen ervoor dat je met dementie zo lang mogelijk zelfstandig kunt leven.
Bij elke vorm van dementie heb je steeds meer hulp van anderen nodig. Na verloop van tijd kun je steeds minder zelf. Je hebt steeds meer hulp en verzorging nodig. Als het voor je naasten zowel lichamelijk als geestelijk te zwaar wordt om voor je te zorgen, kan thuiszorg en dagbesteding helpen. Niet iedereen kan thuis blijven wonen: soms is het goed om verhuizing naar een verpleeghuis te bespreken.
Ondanks dat je met dementie steeds meer hulp en zorg nodig hebt, zijn er manieren om de kwaliteit van leven zoveel mogelijk te behouden. Bijvoorbeeld door activiteiten te doen die aansluiten bij wat je nog wel kan.
De precieze levensverwachting verschilt per vorm van dementie. Aan dementie zelf overlijd je niet, wel aan de gevolgen ervan. Zo krijg je bij sommige vormen van dementie moeite met slikken. Je verslikt je steeds vaker en er kunnen dan stukjes eten in je luchtwegen terechtkomen. Zo kun je een longontsteking krijgen, waaraan je uiteindelijk kunt overlijden.
Voor partners en familie kan het ook erg moeilijk zijn om met de gevolgen van dementie om te gaan. Een patiëntenvereniging of steungroep is er ook voor naasten. Je kunt er mensen ontmoeten die hetzelfde meemaken.
Zorgen voor naasten, ook wel mantelzorg genoemd, is voor de meeste mensen logisch. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan wat de overheid ‘gebruikelijke hulp’ noemt. Als één van je familieleden of vrienden dementie heeft, wil je natuurlijk graag helpen. Soms kun je meer doen dan je denkt, ook als collega of werkgever. Soms ben je partner of kind van iemand met dementie. Dat is niet altijd even makkelijk. Hieronder een paar tips.
Tips voor naasten van mensen met dementie
Voor partners en familie kan het ook erg moeilijk zijn om met de gevolgen van dementie om te gaan. Een patiëntenvereniging of steungroep is er ook voor naasten. Je kunt er mensen ontmoeten die hetzelfde meemaken.
Zorgen voor naasten, ook wel mantelzorg genoemd, is voor de meeste mensen logisch. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan wat de overheid ‘gebruikelijke hulp’ noemt. Als één van je familieleden of vrienden dementie heeft, wil je natuurlijk graag helpen. Soms kun je meer doen dan je denkt, ook als collega of werkgever. Soms ben je partner of kind van iemand met dementie. Dat is niet altijd even makkelijk. Hieronder een paar tips.
Tips voor naasten van mensen met dementie
Ook als je kerngezond bent, kun je dementie krijgen. Maar een gezonde manier van leven zorgt wel dat die kans kleiner wordt. Daar helpen deze dingen bij:
Meer weten over de voorspelling van het aantal mensen dat in de toekomst dementie krijgt? Lees hier meer.
De Hersenstichting heeft bij het opstellen van deze tekst dankbaar gebruik gemaakt van adviezen van
Laatste update: augustus 2026
Geplaatst op 06 augustus, 2026
Geplaatst op 06 augustus, 2026
Geplaatst op 22 december, 2020